Ik ben tegen

Ik heb één oranje bloesje. Mooi zacht oranje, in de categorie mooi oranje is niet lelijk. Vorig jaar gekocht op de vrijmarkt. Omdat het me deed denken aan een bloesje dat ik twaalf jaar terug kocht op de zondagse rommel- en antiekmarkt op de Plaza Dorego in Buenos Aires. Was jaren mijn favoriete bloesje. Ik stond er zelfs mee op de foto in het magazine van dagblad El Clarín, bij een interview over hoe ik, journaliste uit het land van de toen kersverse Argentijnse prinses, het jaar na de instorting van de economie had beleefd. De nieuwe variant draag ik zelden. Zit te strak. En gisteren droeg ik het al helemáááál niet. Op Koningsdag draag ik geen oranje. Ik ben tegen, namelijk.

AD(H)D’ers vaak ergens tegen. En tegelijk hebben ze, o sorry, we, een hoge tolerantiegraad. Een hoge tolerantie van onaangepast gedrag. Las ik laatst in een ADHD-handboek voor hulpverleners. We zouden zo vaak zelf in de problemen komen door dingen die we net niet handig doen, dat we er alle begrip voor kunnen opbrengen als een ander nogal domme stappen zet en daarmee zichzelf en anderen schade berokkent. Stom, stom, heel vervelend, sorry soms, maar ja, kan gebeuren. Je  hebt het leven nu eenmaal niet in de hand.

De andere kant is dus dat tegen-zijn. Trouwe lezers weten dat ik fel anti-smartphone was. En anti-nog zo het een en ander waarvan ik nu weet dat ik het anti-gevoel hem erin zit dat ik er zelf niet zo goed mee om weet te gaan. Jaloezie dus. Maar ‘we’ zijn ook bovengemiddeld vaak tegen onrechtvaardigheid, schijnt. Omdat ‘we’ daar nogal eens slachtoffer van zijn. De hyperactiven onder ons meer dan de dromerigen. Vallen meer op hè, zijn ‘lastiger’, krijgen dus vaker straf. Terecht en onterecht.

In die categorie, in de moeite met onrechtvaardigheid, schaar ik mijn anti-Koningsdag-sentiment. Dat vooral anti-Willem-Alexander en Máxima -sentiment is. En een anti-papa Zorrequieta. Preciezer: een gevoel van sterk onbehagen bij het idee een staatshoofdelijk echtpaar te vieren dat het niet opbrengt om luid en duidelijk te zeggen dat ze tegen zijn, tegen moorden uit politieke overuiging en tegen vaders die dat moorden eerst enthousiast aansturen en dat dertig jaar na dato nog altijd goedpraten. Persoonlijke stokpaard. Te verklaren uit mijn liefde voor Argentinië en mijn vriendschappen met vele Argentijnen, van wie er meer dan één nabestaande is van de dodelijke of anders toch zwaar-getraumatiseerde slachtoffers van de dictatuur die de vader van onze koningin meebedacht en mee-uitvoerde. Een oranje bloesje dragen op de dag waarop we vrij zijn ter ere van het koningshuis, voelt als minachting voor die slachtoffers. Of in ieder geval als wegkijken, ‘ach, wat maakt het uit, ik kan ze toch niet meer redden.’ Mijn begrip voor historische context en ouder- en kindliefde kan hier niet tegenop.

Duidelijk toch? Maar niet al te consequent. Erwin herinnerde me daaraan toen ik een paar weken geleden voorstelde om dit jaar eens een keer niet ‘aan Koningsdag te doen.’ Oftewel: niet naar de vrijmarkt te gaan, zoals we dat de afgelopen jaren met onze nog niet lang geleden overleden vriendin Els en Karin deden. Ging ik twee jaar geleden nog mee omdat Els zo graag ging en het misschien wel haar laatste keer was, en ging ik vorig jaar mee om onze persoonlijke traditie, mede in haar nagedachtenis, in ere te houden, dit jaar wilde ik toegeven aan mijn onbehagen over het koningshuis. Dit jaar geen vrijmarkt, geen muziek op straat, niet kluisteren aan de tv om te zien hoe De Familie door Dordrecht trekt.

‘En met Beatrix had je geen moeite? Zij had toch ook een rol?’
‘En ik begrijp dat je moeite hebt met Máxima’s vader, maar als je daarom geen Koningsdag viert, zijn er zat andere dingen die je misschien beter wel of niet kunt doen? Geen vlees meer eten, omdat er oerwouden worden platgebrand om onze varkens en biefstukjes te voeden? Je ING-bankrekening opheffen, uit verzet tegen de graaiende bankdirecteuren?’ Ik vul aan: ‘een uitgeprocedeerde asielzoeker in huis nemen, uit medemenselijkheid en verzet tegen de criminalisering van mensen die oorlog en ellende ontvluchten?’
‘Heeft je ongemak ermee te maken dat je vindt dat je meer over Máxima’s vader had moeten schrijven, destijds toen je in Argentinië zat en dat nog invloed had kunnen hebben?’, vervolgt mijn man.
Tja. ‘Nee, natuurlijk niet. Nou ja, misschien toch. Een heel klein beetje dan. Maar…….’
‘Denk je niet dat je bloglezers afschrikt?’
‘Ik schrijf over wie ik ben en ‘tegen zijn’ is heel AD(H)D. Er zullen vaker mensen schrikken van wat ik schrijf.’

Ongemakkelijke kriebel. Niet gisteren, toen ik bij vriendin J. te Haarlem op kraambezoek ging en we, op weg naar de oranjevrije rand van de stad, over de vrijmarkt slenterden – ‘lag op de route, konden er niet omheen’. Was blij dat ik bij mijn besluit was gebleven. Al was het maar om mezelf de kans te geven om mijn weerstand te doorvoelen en onderzoeken. En het werd nog een mooie dag ook.

Nu wel, die ongemakkelijke kriebel. Wat doen we volgend jaar? Ben dan graag toch weer met zijn drieën. En hoe zit het nu met die weerstand? Oranje zal ik niet snel dragen op dagen dat dat voor koningsgezindheid kan worden aangezien. Maar over de vrijmarkt lopen? Zoals destijds met Erwin en Karin en Els?

Au. Mijn ‘Nee!’ zou best wel eens ‘au’ kunnen zijn. Pijn, verdriet, gemis. Net als die ‘nee’ tegen altijd bereikbaar zijn en dus altijd geconfronteerd worden met de mail- en sms- en app- en alle andere communicatiemiddelen waarin ik achterstanden oploop en anderen blijkbaar niet. Au. Nee, bah. ‘Bah’ voelt minder naar dan ‘au.’ Al blijf ik erbij dat ik het naar vind, die vader van de koningin en het koninklijke zo-goed-als-zwijgen. Bah en brrrrr.

Waar blijft de tijd?

20150425_205530
De opruiming is vanochtend begonnen. en vanmiddag tot nader orde opgeschort.

Erwin is een weekend weg. Althans, dat was de bedoeling. Hij vertrok rond half acht vanochtend. Met maar liefst drie nachten aan slaapachterstand in een week, was ik op dat moment dusdanig ver weg dat ik me weinig van zijn vertrek herinner. Wel herinner ik me het gevoel dat ik vanaf een half uur later had: ‘Tjonge, twee hele dagen voor mezelf.’

Ik had ernaar uitgekeken, deze dag. Niet zozeer naar het alleen zijn, maar wel naar het uitslapen. En dan niets hoeven. ‘Ik ga eens flink opruimen’, zei ik gisteren monter, ‘en verder zie ik wel.’ Desondanks maakte ik deze ochtend een to-do-lijst, met al die dingen die ik zoal zou kunnen doen. En ergens aan het begin van de middag bladerde ik door het uitgaanskrantje. ‘Misschien eens naar een bandje of een voorstelling vanavond? Wie zal ik eens bellen om mee te gaan?’

Ondertussen liep de dag al aardig zoals mijn weekenddagen tot vijfenhalf jaar terug pleegden te gaan. Tegen half negen viste ik een boek uit mijn tas dat de coach me aangeraden heeft, zette thee en kroop met boek, theepot en beker op het nachtkastje, terug in bed.

Ik las een half uur. Toen was ik te moe om te lezen en te wakker om in bed te blijven. Tijd om te mediteren, twintig minuten. Naja, iets langer. Ik zag de timer pas knipperen toen ie daar al twee minuten mee bezig was.

Ontbijt met de bovenste der stapel kranten. Niet de interessantste, maar waar begin je anders, als de stapel zo hoog is?

Tegen elven begin ik met opruimen. Huiskamer eerst. Daar zijn we het meest, tenslotte. Ik denk drie kwartier nodig te hebben, zo’n vreselijke bende is het nou ook weer niet. Ik raap de stapeltjes kranten, post, boeken en kledingstukken van stoelen en de grond, gooi de kledingstukken deels in de was en deels in de slaapkamer en de rest deels op tafel en deels bij elkaar op de vloer in een ander deel van de kamer. Daar ga ik straks eens rustig voor zitten.

Dan de radio aan. Zoek radio 1, kan die niet vinden, zoek door en door en verzoen me na een kwartier ofzo met radio 2. Meestal luister ik naar de radio via mijn laptop, maar die wil ik nu niet aanzetten. Leidt zo af.

Ik besluit achterin de kamer te beginnen, het kastje met het Boeddhabeeld. Daar ligt veel wierook-as. Zou ik daar met een doekje overheen gaan, dan is dat doekje meteen zwart. Stoffer en blik pakken kan, maar waarom niet gelijk stofzuigen? Ik pak de stofzuiger. Maar ondertussen erger ik me dusdanig aan radio 2, dat ik op mijn smartphone een nieuwe poging waag radio 1 aan de praat te krijgen. Dan gaat de telefoon. Weet niet meer hoe laat het daarna was, maar die drie kwartier zijn ruimschoots om

Stofzuigen. Dan gelijk maar het logeerbed en stoelen aan de kant, het vloerkleed omslaan, vloer, kleed, plinten, alles. Trek in koffie.

Even zitten. Geen zin meer. Wel zin om oude blogs op mijn nieuwe site te zetten. Ga ik doen. Blog voor blog. Natuurlijk lees ik ze gelijk allemaal door, om er de juiste tags bij te kunnen plaatsen. Ik zet mijn timer op veertig minuten. En daarna nog eens. En daarna nog eens. Dit is rustgevender dan het gesjouw met kranten en stoelen.

Om drie uur vind ik het genoeg. Tenminste, ik vind dat ik het genoeg moet vinden. Ik zou nog wat telefoontjes plegen vandaag en mijn laarzen bij de schoenmaker ophalen en een kraamcadeautje kopen en misschien nog wel ergens koffiedrinken in de stad. En bloemen kopen op de markt. Ik werk nu tweeënhalve maand niet meer bij de post en ben nog altijd erg blij met mijn vrije zaterdag.

Om kwart voor vijf ga ik de deur uit. Verder dan de schoenmaker en het kraamcadeautje kom ik niet. Het moet namelijk wel goed zijn, dat cadeautje. Even na zessen ben ik thuis.

Zo, en dan bloggen. Heb voor het eerst in lang weer eens een stok achter de deur. Twee zelfs.

Eerst nog wat blogs verplaatsen. En alvast iets van die spullen die ik op de grond gegooid had opruimen.

Mijn hoofd staat er niet naar, die blog. Laat ik nog maar die twee andere achterstallige telefoontjes plegen en koken.  Bovendien wil ik wat lezen voordat ik begin. Ik wil het over mindfulness gaan hebben, in verband met mijn opleiding, mindfulness en het effect daarvan bij AD(H)D. En het wat breder trekken dan mijn eigen ervaring. Daar heb ik een boek over en dit is een goed moment om daar eens wat langer in te lezen dan ik tot nu toe gedaan heb.

Tijdens het koken doe ik opnieuw een poging de radio naar mijn believen aan de praat te krijgen. En dan belt Erwin. Hij komt vanavond al naar huis. Er was iets mis gegaan met de reservering van het huisje waar hij met vrienden overnachten zou.

‘Maar ik moet nog bloggen!’ zeg ik, tegelijk denkend aan die stapels die nog in de huiskamer liggen, net als de stofzuiger er nog staat, want de andere helft van de kamer moest nog. Ook de uitgaansplannen die ik me even in mijn hoofd gehaald had kwamen voorbij. Was leuk geweest, ware het niet dat ik dat slaapgebrek nog lang niet te boven ben en morgen ook niet te laat op wil. Laat ik alles liggen zoals het ligt, dan ziet ie weer eens hoe dat bij mij gaat, denk ik. Maar ik was niet voor niets begonnen op te ruimen, baal al dagen van de troep.

Tijdens het tweede deel van het koken begin ik aan de afwas en besluit ik dan maar de tv aan te zetten in plaats van de radio.

Om kwart voor negen kruip ik met bord op schoot op de bank, tussen relatief nieuwe stapels. Een half uur later zit ik achter de computer. Eerst wéér een oude blog verplaatsen. Toevallig is die van 24 november aan de beurt, over hoe mijn leven is veranderd in de vijf jaar dat ik Erwin toen kende:

‘Anders dan in mijn begintijd als freelance journalist, hield ik mijn weekenden meestal vrij. Maar in plaats van aan ontspanning en leuke dingen, gingen ze vrijwel altijd op aan bijslapen, huishouden en de krant lezen. Tot mijn frustratie, leek dat allemaal zinloos. Ik kreeg ik mijn huis nooit aan kant, vaak lukte het me niet om boodschappen te doen voordat de buurtsuper zaterdags om 17 uur dichtging, bleef met krantenlezen bij het vierde of vijfde artikel steken. Alleen als ik van tevoren met iemand afgesproken had, kwam ik ertoe om andere dingen te ondernemen. En alleen als ik ergens over schrijven ‘moest’ las ik daarover alles wat los en vast zat.’

Ik besluit mijn blog over mindfulness bij AD(H)D maar voor een andere keer te bewaren.

Even na tienen zet ik de computer uit. Of ik richting bank-met-boek ga, toch nog iemand ga bellen of die stapels wegwerk, heb ik nog niet besloten.

Twee stokken achter de deur vandaag: Corine Kluifhout en Mikis de Winter. Dank jullie wel, Corine en Mikis!

Mijn strijd tegen de mannetjes

Mijn vorige blog schreef ik drie dagen na de conferentie Verhalende Journalistiek, de blog dáárvoor drie dagen na de eerste Knipperende Kursor. Nu heb ik alweer een paar dagen niet geblogd, terwijl onderwerp na onderwerp door mijn hoofd schoten. Dadelijk duik ik weer voor twee dagen in mijn opleiding tot mindfulnesstrainer en gebeurt er ongetwijfeld opnieuw van alles dat een blogje waard is. En dat terwijl ik nu dus al mijlenver achterloop, verdorie. En  moe ben, nog steeds.

Achterlopen voelt vertrouwd. Ik heb het vaker geschreven: vrijwel altijd als ik me één taak besluit te wijden, hoor ik in mijn hoofd honderdenéén andere taken om aandacht schreeuwen. En ik hóór ze niet alleen, ik zie ze ook. AD(H)D-coach A vroeg me gisteren om te beschrijven hoe dat er dan uitziet. Nou, ik zie kleine boze mannetjes met puntmutsen en enorme handen. Die voel ik. Zij duwen tegen de kleurige cirkel die binnen in me symbool staat voor wat ik echt heel graag doen. Ze houden me tegen. Niet alleen om te doen wat ik op dat moment koste wat het kost wil doen, maar ook om welk willekeurige andere taakje van mijn to-do-lijst op me te nemen. Zodat ik mezelf opeens een of andere enquête zie invullen, heel toevallig zojuist mijn mailbox binnengepiept, best interessant maar niet bepaald relevant. Het houdt de kleine mannetjes even rustig. Maar ik weet dat het volbrengen van de taak die ik me voorgenomen had te doen me veel meer voldoening had gegeven. Hoeveel zin ik daar ook in had toen de dag begon, tegen de tijd dat de  achterstanden voldoende weggewerkt zijn om de rust te voelen om me aan iets nieuws te wijden, voelt dat willen als moeten. En, tadaaaaaaaa, een nieuwe achterstand is geboren.

Dus wijd ik nu maar weinig woorden aan het laatste blogonderwerp dat gisterochtend, voordat ik naar de coach ging,  in mijn hoofd voorbij kwam fietsen. Over dat ik steeds zoveel hersteltijd nodig heb. Dat ik die vorige blogs pas dagen later schreef dan dat de aanleiding zich voordeed, omdat ik eerst moest herstellen van de slapeloze nachten die aan die aanleidingen voorafgingen, bovenop een slaapachterstand van maanden. En dat ook dat, mijn behoefte aan hersteltijd, erg vertrouwd voelt. Behoefte aan hersteltijd, in combinatie met ‘Let maar even niet op mij hoor, ik ben er nog niet helemaal bij’, is decennialang mijn basishouding is geweest. Gek hè, dat ik meestal weinig concrete plannen maakte?

Ook over dat ik tegenwoordig minder hersteltijd nodig heb, omdat ik beter weet wat ik moet doen om me fit te voelen, schrijf ik vandaag dus maar even niet. Over hoeveel baat ik heb bij meditatie en hoe rijk en fit en fijn en rustig ik me voel als ik de dag voor dag en dauw begin, heb ik het hier al vaak genoeg gehad. En dat ik me in de laatste bijeenkomst van mijn post-Effectief-met-AD(H)D-intervisiegroepje opnieuw gespiegeld zag in Zeven, is twee weken na dato oude koek. Zeven vertelde dat ze zo graag vroeg opstaat, omdat ze zich dan zoveel beter voelt, maar dat niet doet omdat ze aan het eind van de dag altijd het gevoel heeft dat ze te weinig gedaan heeft en dan ‘opeens’ nog tot na twaalven ’s nachts achter de computer zit om de achterstanden in te halen, en dus ’s ochtends te moe is. Onze mede-intervisiegroepers spraken haar streng toe, net als haar coach al een paar keer gedaan had: ‘Waarom moet je nou zo nodig vroeg opstaan? Accepteer toch gewoon dat het bij jou gewoon anders werkt!’ De herkenning, heb je hem weer. Dit keer luidt die: ‘En dan wéét ik eindelijk dondersgoed wat goed voor me is, lukt het me niet om dat dan dus gewoon te doen en als ik daarover mopper, stuit in nog op onbegrip ook! Wil ik troost en steun, maar in plaats daarvan moet ik me gaan zitten verdedigen.’ Nou, daar kom ik een andere keer wel weer op terug.

‘Zo, zijn we toch nog een beetje bijgepraat’, zou een zeer bekende van me zeggen.
Op naar de rest van deze nieuwe dag.

De Hoofdpersoon

20150420_144821Afgelopen week bevond ik mij, voor het eerst in een aardige poos, weer eens in journalistieke kringen, de journalistieke kringen waar ik het meest van houd. Ik was op de Conferentie Verhalende Journalistiek. Het thema: De Hoofdpersoon. In de verhalende journalistiek hebben we het niet over een min of meer onpersoonlijke ‘bron’, ‘zegsman’ of ‘functionaris’ maar over De Hoofdpersoon, een persoon van vlees en bloed, met een karakter en emoties, die een doel nastreeft, handelt, faalt of slaagt. Een hoofdpersoon wiens verhaal uniek is en tegelijkertijd staat voor iets groters, iets universeels en, meestal, een maatschappelijk verschijnsel. Iemand met wie de lezer of kijker zich kan identificeren, waardoor het verhaal beklijft.

Vrijwel altijd gaan dat soort journalistieke verhalen over levens met een omweg, van het soort waaraan ik inmiddels vaak mensen met AD(H)D weet te herkennen. Daar zit drama in, daarin gebéurt iets. Behalve een interessante hoofdpersoon, vereist een goed ‘verhalend journalistiek verhaal’ actie, een aaneenschakeling van handelingen, vallen en opstaan, leidend tot een plot.

Radiomaker Jaïr Stein opende de conferentie met de anekdote over zijn beste vriend Alexander, die hem jaren terug snikkend belde, met een artikel in zijn hand over het syndroom Asperger, een vorm van autisme. Al lezende, bellende, snikkende, ontdekte Alexander dat hij Asperger heeft en ziet zijn leven aan zich voorbij trekken. Jaïr kost het de grootste moeite om in de rol van beste vriend te blijven en niet toe te geven aan de journalist in zichzelf, juichend om de vondst van ‘dit prachtige verhaal.’ Hij maakte een radioreportage over zijn vriend, zij het jaren na dat telefoongesprek. Pas toen waren Jaïr en zijn vriend daar klaar voor.

AD(H)D en autisme zijn verwant aan elkaar, weet ik sinds een poosje. Een van de onderwerpen die op de conferentie ter discussie stond, was de vraag wanneer het iets toevoegt als ‘de ik’ een rol, of zelfs een hoofdrol, krijgt in een journalistiek verhaal. Het mag, daar is ‘men’ het over eens, als die ‘ik’ werkelijk een rol speelt in het verhaal, anders dan die van de schrijver die zoekt en zoekt en zoekt naar informatie en die dan eens wel en dan eens niet vindt. Nog even afgezien van de rol van Anke in Add&Anke, sterkte de anekdote me erin om nu ook in deze journalistieke kringen uit de kast te komen. Collega’s, potentiële opdrachtgevers en wie het maar horen wil, vertelde ik over min blog, site en andere Add&Anke-activiteiten. Niet tussen neus en lippen door, maar als antwoord op de vraag ‘Waar ben jij tegenwoordig mee bezig?’

Niet dat ik mijn blog beschouw als journalistiek project. Daarvoor draait het (nog?) teveel om mij, om mijn persoonlijke ervaringen en inzichten, zonder dat ik deze stelselmatig in de context plaats van maatschappelijke discussies en journalistiek en wetenschappelijk onderzoek. Soms vind ik dat ik dat meer zou moeten doen. Ik ben toch journalist? En kwamen we er bij Effectief met AD(H)D (en veel eerder al, bij de haptonome) niet op uit dat ik meer mijn plek in moet nemen? En dat mijn werk dusdanig belangrijk voor me is, dat ik dat vooral ook in mijn werk moet doen?

De reacties op mijn openbaring in journalistieke kringen wisselen. De meeste zijn, al dan niet voorzichtig, enthousiast. Iets in de trant van: ‘Het moet prettig zijn, als je opeens beter kunt plaatsen waarom dingen gaan zoals ze gaan, dat je niet de enige bent. Kan interessant zijn om daar ook in kranten en tijdschriften voor te schrijven.’ En soms, als ik verder vertel over een mogelijke hoofdpersoon die ik laatst ontmoette: ‘Goh, wat een mooi verhaal.’ Er zijn er ook die verveeld wegkijken. ‘Rugzakkinderen, ADD, ADHD, Asperger, Nieuwetijdskinderen, overdiagnosticering, de Libelle en Margriet stonden er vijf jaar geleden al vol mee.’ Soms denk ik dan: ‘Komt het te dichtbij? Heb je zelf zo’n kind? En ben je bang dat dat misschien wel betekent dat je zelf ook wel eens in aanmerking zou kunnen komen voor een berucht Labeltje? Of, tja, of….. ‘ Kan ook gewoon een kwestie van smaak zijn. En ja, natuurlijk wordt er veel, erg veel over kinderen met labeltjes geschreven. Bovendien: vindt een redacteur het een slaperig idee, een artikel over ADD, dan zullen er potentiële lezers zijn die dat ook vinden. Maar wat als ik nou eens een heel ander soort ADD-verhaal vertel?

Mij komen verhalen over AD(H)D in ieder geval vaak erg dichtbij, anders dan en misschien toch ook wel vergelijkbaar met Alexanders verhaal voor Jaïr. Dat verhaal gaat ook over vriendschap en over hoe een vriend als journalistieke bron gebruiken de vriendschap onder druk kan zetten. Voor mij komen de meeste interviews die ik in de afgelopen maanden met mede-AD(H)D’ers heb gehad dichtbij omdat ze voor mijn gevoel ook altijd over mij gaan. Al is het maar wegens mijn verbijstering, keer op keer, over hoeveel mijn leven overeenkomt met dat van een volslagen ander persoon – qua omwegen, burn-outs, de continue ideeënstroom, het slechte slapen, de fantasierijke meisjesdromen en  de reacties van de buitenwereld – verveeld wegkijken, ‘het  lijkt wel of alle kinderen tegenwoordig wel ìets hebben’, niet horen dat ik het helemaal niet over kinderen gaat en nog minder over overdiagnosticering, maar, in tegendeel, over jarenlang hulpverlenerhoppen wegens burn-out, ‘het zit er wel in maar het komt er niet uit’ etcetera, zonder dat het woord AD(H)D valt, enzovoort, enzovoort, enzovoort.

Nu heb ik dus laatst een mogelijke hoofdpersoon ontmoet. Een die heel graag haar verhaal vertelt, een verhaal waar ik zo graag naar luister, dat het me opeens beter lukt om mezelf erbuiten te houden. Een verhaal waarin de dromen en drama’s van vele volwassen vrouwen met ADD samenkomen, weet ik op basis van zowel gesprekken als het nog beperkte maar wel aanwezige wetenschappelijke onderzoek naar deze groep. Een verhaal waar ik enkele collega’s mee heb doen glunderen. Ik heb het vaker gezegd, en je weet maar nooit hoe het allemaal lopen gaat, ik voel een Nieuw Begin aankomen. Als ik er klaar voor ben. Van hoofdpersoon in Add&Anke naar journalist verhalend over ADD.

Stok achter de deur van vandaag: Bernadette Kester. Dank je Bernadette!

Zonder te knipperen

20150410_154502_resized_2 De Knipperende Kursor is al een paar uur op gang, als ik mezelf de zaal plots streng hoor toespreken: ‘En nu is het tijd om te schrijven. Zorg dat je goed zit, kijk even of je pen het goed doet en zoek, zo niet, een andere. Houd eventueel wat extra papier bij de hand voor het geval je afgeleid wordt en iets op wilt schrijven dat niets te maken heeft met het verhaal waarvoor je gekomen bent. Jullie hebben een half uur.’

‘Een half uur? Dat is wel heel erg lang…..’ klinkt het, ‘dat houd ik niet vol.’ Voor de duidelijkheid: ik geef deze workshop, samen met tekstschrijver en schrijfcoach Manon Kleijn, speciaal aan mensen die toegeven dat het hen moeite kost om zich te concentreren. Die, zo blijkt ’s ochtends, wel heel erg makkelijk een lange lijst afleiders kunnen noemen die hen, altijd als ze zich aan het schrijven willen zetten, van het werk houdt: van het gekrab van de kat en gejengel van kleine kinderen, via plotselinge enorme trek in koffie of snoep, de piepjes van de telefoon en het zoemen van de wasmachine die klaar is met zijn wasbeurt tot de hardnekkige innerlijke stem die duidelijk maakt dat ‘ik het nu eenmaal niet kan, schrijven.’ Die het desondanks wel graag zouden willen. Al is het maar omdat je zonder teksten geen website hebt en het zonder website lastig is om nieuwe klanten te trekken voor je bedrijf.

20150410_153811_resizedZe hebben elkaar verteld wat ze willen schrijven. Zich verbaasd over de samenvattingen die toehoorders gaven van het verhaal dat ze dachten te hebben verteld. ‘Simpele’ schrijfoefeningen gedaan rond het thema van hun verhaal. En toen vond ik het de hoogste tijd.

Het half uur vloog om. Collega Manon was de enige die maar niet rustig op haar stoel kon blijven zitten. Althans, ze deed alsof ze dat niet kon. Ze wilde het de schrijvers moeilijk maken. In een doodstille zaal zonder computers en telefoons kan iedereen wel schrijven, was haar idee. Dus dan maar wat geloop en geschuif en gefluister. Niet lang geleden zou ik me daar vreselijk over hebben opgevreten. Nu vond ik het alleen ‘wat vervelend’. Ik was zelf ook aan het schrijven gegaan, zat net ‘lekker in mijn verhaal’, en onderbrak ze me omdat ze zo nodig moest overleggen. Voor de deelnemers mocht het niet baten. Had ik ze stiekem drie kwartier laten doorgaan, dan waren zij waarschijnlijk gemakkelijk drie kwartier aan het schrijven gebleven. Ook toen we hen vroegen om een minder rustige plek in het gebouw op te zoeken scheven zij door.

Zo zie je maar. Concentreren kun je leren. En schrijven ook. Ik heb zomaar het idee dat de meeste geblokkeerde schrijvers en aspirant schrijvers vooral zichzelf als stoorzender hebben. Zelf ben ik in ieder geval een van mijn voornaamste belemmeringen. ‘Het zal wel weer niet lukken’, dat soort werk. Dus toch, het lukt toch. En wat mij lukt, lukt velen met mij.

Dank je, Manon Kleijn, om samen met mij dit avontuur aan te gaan. En dank Annemiek, Diana, Dinaah, Irma en Pia voor het vertrouwen. Blijf schrijven. En knippert die cursor, knipper dan gewoon maar vrolijk terug.

Vakantiegevoel

20150410_002648(0)_resized
Ik geef een workshop en ik neem mee…..

Als ik dit stukje begin is het even over half twee ’s nachts. Achter het raam naast mijn bureau is het aardedonker – het enige uitzicht is mijn eigen spiegelbeeld in de weerkaatsing van het licht van mijn bureaulamp. Naast mijn bureau, schuin achter de stapels, liggen de spullen die ik morgen echt niet mag vergeten mee te nemen. Ik typ driftig tegen de klok in; ik wil zo snel mogelijk mediteren om tot rust te komen en dan naar bed.

Het lijkt wel de avond voor vertrek. Vakantievoorpret, in de vorm die voor mij decennialang het meest vanzelfsprekend was. Ik kon een reis maanden geleden hebben gepland, de laatste vierentwintig uur voor vertrek moest er altijd nog van alles: van inpakken tot adressenlijsten voor vakantiekaartjes printen, van nu toch echt mijn emailachterstand wegwerken tot de jaarlijkse grote schoonmaak.

Ik ga niet op reis morgen. Ik geef  morgen voor het eerst mijn Knipperende Kursor Kursus. Stond al een maand of vijf op de rol. Ben er al weken zo goed als klaar voor. Toch leg ik pas een kwartier geleden de laatste hand aan het programma. Blijkbaar is het spannend. Opeens riep de afwas, die ik al dagen negeer. Moet ik nu echt nog even bloggen. En tijdens mijn eerdere deadline deze week, was het opeens dringend nodig om oude blogs naar deze nieuwe site te verhuizen. En die kursor maar knipperen.

Klokslag twee uur. Het zit erop. De meeste pre-vakantienachten begonnen uren later. Ik ga de goede kant op, dat moge duidelijk zijn.

Dus het ligt aan mij

Mijn mede-oud-Effectief-met-AD(H)D-ers vinden ook dat ik het wel heeeeeeeeeel erg druk heb. Vragen zich af waarom ik zoveel doe. En hoe ik het volhoud. Namen me, aan het eind van onze bijeenkomst van gisteravond tegen mezelf in bescherming door me mijn door mezelf opgelegde verantwoordelijkheid voor de organisatie van de volgende bijeenkomst uit handen te nemen. Wat ik nogal betutteld vind. Maar van hen kan ik het hebben.

Het ligt aan Anke, niet alleen aan Add.
Het ligt aan Anke, niet alleen aan Add.

Nou zeg. Mijn drukte ligt dus niet aan Add. Niet alleen althans. Waar mijn groepsgenoten, net als ik last van hebben wat teveel drukte betreft, zit hem meer in ‘willen voldoen aan verwachtingen’. Knap vermoeiend, zeker in combinatie met snel overprikkeld en daarmee toch al moe zijn. Effectief met AD(H)D heeft hen gebracht dat ze dat nu minder bezig zijn met die verwachtingen. Minder boos zijn op zichzelf (en op anderen) als het niet lukt. Dat heb ik ook. Maar ondertussen blijf ik veel willen doen, veel meer liefst dan ik al doe.  Waar  blijven die journalistieke artikelen over AD(H)D toch, bijvoorbeeld? Vind ook dat ik meer zou moeten kunnen. Als ik eindelijk eens van mijn losse eindjes af was.

Aan mij dus om te achterhalen waarom ik dat wil, waarom ik zo vaak over mijn grenzen ga, met alle gevolgen voor nachtrust, gezondheid, humeur, relaties van dien. En waarom er ook altijd zoveel blijft liggen. Ik vertelde over mijn sessies met AD(H)D-coach A, over excuses. En de uitkomst, dat het gegeven dat ik aan veel klussen, sociale contacten en mails, niet toekom, niet veel met ADHD te maken heeft. Dat ik goed ben in excuses.

Au. ‘Voor een deel zit het hem erin dat ik het juist heeeeel goed wil doen’, vertel ik, ook aan twee groepsgenotes wiens persoonlijke mails ook al eens weken in mijn mailbox zijn blijven hangen. ‘Een persoonlijke mail wil ik met al mijn aandacht, rustig, weloverwogen, schrijven. Ik wacht op een rustig moment en dat komt nooit. Dus heb ik mails van meer dan een jaar oud in mijn mailbox. ‘

‘Nou, die zou ik dan maar eens weggooien’, zegt A. ‘Ik kreeg laatst een mailtje van een collega, in antwoord op een mail van een jaar oud. Nou, wat voelde ìk me belangrijk. Mijn collega was blij en trots dat ze eindelijk geantwoord had. Ik was juist boos.’

O, werkt dat zo.

Nog twee inzichten uit de coachingssessie die ik deelde: bij elke klus waar ik mee bezig ben, ben ik me ervan bewust dat ik ondertussen aan talloze andere lopende klussen geen aandacht besteed. Dat werkt nogal verlammend. En wat vriendschappen en andere sociale contacten betreft: als ik aandacht besteed aan vriendin 1, heb ik gevoel dat ik alle andere mensen om mij heen vreselijk tekort doe. Dat wil ik niet, dus laat  ik vriendin 1 ook nog maar even zitten.’

‘Tjonge, dat is lastig.’  Deel 1 – als ik het één doe, voel ik de druk van alle dingen die ook moeten maar ik op dat moment niet doe – dat kennen mijn AD(H)D-genoten ook.  Deel 2 niet. Dat is iets van mij. En, zo bevroed ik, ook van minstens één iemand zeer nabij mij.

In de trein naar huis gooide ik zowaar dertig oude onbeantwoorde mails weg. Vanochtend nog eens vijftien. Lijkt weinig, maar voelt groots. Lucht!

Voorpret

bureau 7-4-15
Je moet ermee uitkijken, maar soms komt ‘rust creëren’ neer op ‘onrust bedekken’ en vervolgens ‘go with the flow.’ De stapel naast mijn bureau, 7 april 2015

Veel feest der herkenning deze dagen, nu en in aantocht. Vanavond komen we met vijf andere oud-deelnemers van Effectief met ADHD bijeen, waar ik al weken naar uitkijk. Heb me af en toe wat eenzaam gevoeld in mijn strijd met Add’s perikelen, zo zonder de maandelijkse sessies in Delft. De organisatie van vanavond liep via omwegen. Alleen dat  al is een verademing der herkenning.

En dan vrijdag. Mijn eerste workshop De Knipperende Kursor, schrijven voor mensen met een vol hoofd. Voerde net een voorgesprek met een van de deelnemers. ‘Ik ben altijd maar bezig, maak heel veel, maar zolang het niet perfect is, houd ik het onder de pet’, zei zij. Ze wil meer en eerder publiceren. Ken ik.

Een leerdoel dat ze pas noemde nadat ik haar eraan herinnerde heb dat we met pen en papier zullen schrijven en dus niet op laptops: ‘Daar ben ik heel blij mee. Schrijven op papier geeft me mij vrijheid. Als je een hoofd zo druk hebt als ik en je hebt moeite om je te concentreren, dan is de computer wel een heel gevaarlijke bron van afleidingen. Ik zou tips willen hebben om mijn weerzin tegen de computer te doorbreken en er vooral weer plezier aan te beleven.’

Ken ik ook. Zozeer,  dat ik over die vraag nog eens goed moet nadenken.

Ik had me voorgenomen om voor elke blog minstens één losse-eindjes-annex-kop-in-het-zandmail weg te werken. Maar een Knipperende Kursortip zal zijn om vooral je energie te volgen: ‘Doe waar je nu energie van krijgt.’ Ook ik heb nogal eens weerstand tegen de computer. Al brengt bloggen me juist ‘in the flow’.  ‘Ga je daarin mee, dan krijg je vanzelf zin in die andere dingen als het moment daarvoor dáár is.’

En soms komt dat moment sneller dan je denkt.

Bel me nou maar

‘De belangrijkste inzichten zijn vaak die waarvan je denkt: ‘Ja, hèhè, natuurlijk. Dat wist ik allang’, maar die je desondanks nooit eerder had bedacht’, zei mijn zenmeester een paar jaar geleden.

Nou, het is zover. Ik heb zo’n inzicht. Niet schrikken. Hij klinkt nogal, tja, nogal, nou, simpel. Nogal ‘Ja, hèhè, natuurlijk.’ Komt ie:

‘Als je de hele tijd maar zegt of schrijft dat je het druk hebt, dan denken mensen: ze zal wel geen tijd voor me hebben. En dan bellen ze je dus maar niet, bijvoorbeeld.’

Zo. Die hakte erin, deze week. Ik kwam erop door een berichtje, via de Facebookchat, van vriendin M: ‘Moet wel zeggen dat ik bij het lezen van alles waar je mee bezig bent, je nauwelijks nog durf te vragen om eens iets leuks met me te gaan doen.’ Volgend op twee vergelijkbare berichten van andere M. in korte tijd: ‘Ik begrijp het hoor, als je niet naar het feestje komt’ en ‘Laten we maar niet gaan, naar die lezing waar ik het over had. Doe maar eens een avondje rustig aan’.

Ik mopperde erover tegen Erwin. ‘Maar ik schrijf toch juist dat ik die drukte wil doorbreken? Dat ik vriendinnen veel belangrijker vind, dan mijn mailachterstand enzo? En ik heb toch ook wel eens gezegd en geschreven dat ik in tijden van drukte juist zin heb in zo’n feestje, bijvoorbeeld? Dat het vooruitzicht me juist helpt om het vol te houden? Dat ik, als het erop aan komt, vaak heus wel tijd kan maken? En dat we dus gewoon binnenkort eens bellen?’

‘Ja, dat schrijf je en dat zeg je. Net zoals je tegen mij zegt dat je het echt heel belangrijk vindt om de kelder verder op te ruimen. En om vaker te gaan dansen, wandelen  <……… en nog een rijtje dingen meer>.  Maar het komt er niet van.  Ik denk ook vaak als ik iets wil voorstellen om samen te doen: ‘Laat maar.’ Ik begrijp je inmiddels beter dan in het begin, maar ik kan je nog steeds heel vaak niet volgen. Kun jij hèn volgen?’

‘Ja maar…’

Ik hoor het mezelf vragend zeggen, ‘Ja maar.’ Tegenwoordig is dat een signaal, een veeg teken. ‘Ja maar’ is geen ‘ja’, in ieder geval.

‘Wat vind jij ervan, als je M een mailtje stuurt en ze reageert niet?’, vraagt hij. ‘Dan denk ik: ‘Nou zeg. Blijkbaar vindt ze me niet belangrijk.’ Zei collega X laatst trouwens ook, toen ik me ervoor verontschuldigde dat ik er zo lang over deed om haar mails te beantwoorden: ‘Je vindt het niet belangrijk, dat is duidelijk.’ Nou zeg, zij heeft nota bene ADHD. Als iemand moet kunnen begrijpen hoe het werkt, dan is zij het toch wel?’

Ook dat hoor ik mezelf zeggen. Terwijl X  doorgaans snel op haar mails reageert. Ik hoor mijn tegenstrijdigheden. Weet dat het ook nog zo is, dat ik uitnodigingen zo lang in mijn mail laat zitten dat ze verlopen. En dat ik, als ìk iemand uitnodig en hij of zij daarop een enthousiast mailtje stuurt, ik er makkelijk weken over kan doen om dat mailtje dan weer te beantwoorden.

Een traan welt op.

Maar hoe doe ik dat dan, bellen, mailen en zien wie ik graag bellen, mailen en zien wil? En dan ook nog werken? En rustig thuis zijn? Lezen? Studeren? Schrijven? Mijn ouders opzoeken? Ik weet het echt  niet.

Nou ja, een beetje wel. Prioriteiten. Kiezen. Maar hoe?

Kan zijn dat ik minder ga bloggen, de komende tijd. Al is het maar voor de beeldvorming. Het misverstand dat ik geen tijd heb en geen tijd zal maken moet maar eens de wereld uit.