Tagarchief: uitstelgedrag

Inkomen eerst

image-251915Iets zit me niet lekker, als ik afreis naar mijn ADHD-coach. Terwijl ik er ook zin in heb. Na de nachtelijke ontdekking, begin deze week, van een dwangbevel bij de post, gevolgd door een paar uur spitten door de beruchte stapel papieren naast mijn bureau totdat ik zeker-zeker-helemaal-100-procent-zeker weet dat er niet meer van dergelijke verassingen onderweg kunnen zijn, verheug ik me erop om samen met haar een flinke nieuwe stap te zetten op weg naar inzicht in mijn weinig praktische houding ten opzichte van inkomensvergaring. Ik ben het zat, ik wil het anders. Voor mezelf, voor Erwin, voor de wereld, ik wil een inkomen verdienen dat me vrijwaart van schaamte en spanning over of ik de rekeningen wel op tijd kan betalen.

Terwijl ik daar met haar over begin, daagt het me dat praten en schrijven en denken over hoe dat toch zit, waarom ik toch niet tot meer inkomensgerichte actie kom, terwijl de eerste echtelijke ruzies met financiële achtergrond in de nieuwste rode periode zich al hebben aangediend en ik net zo blij was dat ik weer wat beter slaap en dat dat waarschijnlijk nu weer minder wordt en waarom doe ik me dit aan, tja ADHD, nee, niets ADHD, gewoon die stomme belemmerende overtuigingen, tja wat doe je eraan, nou, gewoon doormediteren en dooronderzoeken en vertrouwen en geloven en werken, ja ook dat, werken, kom op, toe nou, gewoon werken, waarom doe ik dat zo langzaam, niet, niet, niet ik doe het niet langzaam, ik doe wat ik kan – dat dàt, die gedachtenstroom, best wel wat weg heeft van dat rumineren. Het rumineren ofwel malen dat de depressiegevoeligen doen en depressiegevoeligen alleen maar depressiegevoeliger maakt. Afremt, verlamt. Pffffffff, maar ja. Hoe doe ik het anders?

Nou, anders dus. Zegt coach. Roept coach. ‘Jij bent intelligent, slim, kan veel, weet veel, waarom in vredesnaam zou jij niet in staat zijn om een baan te vinden?!’

Begint zij nou ook al? Ik wìl geen baan. Ik wil mijn cursussen geven, ik ga, weet ik inmiddels, vanaf september mindfulnesstrainingen geven, ik wil vooral ook blijven schrijven, meer schrijven ook, lucratiever schrijven, het gaat de goede kant op allemaal, echt, gewoon een kwestie van doorgaan, vertrouwen, geduld….

We inventariseren mijn ‘ja-maren’. En de voordelen die een baan zou kunnen hebben. Met moeite. En tegenstrijdigheden. Een baan kost me mijn vrijheid. Een baan biedt vrijheid. Een baan geeft stress. Geldzorgen en schaamte daarover geven ook stress. Pfffff. Rotcoach. Ik wil begrijpen. Ik wil doorbreken. Niet op mijn kop krijgen. Want zo voelt het.

‘Je gedraagt je als slachtoffer!’ Tjak.

‘Maar je bent geen slachtoffer.’ Tjak.

‘Al je ja-maren gaan over dingen uit het verleden. Omdat je tòen ruzie kreeg met een baas, omdat je tòen een burn-out kreeg, omdat je baan bij de post misschien inderdaad geen goede keuze was, daarom doe je nu niets??’

Hou op!

En dan gaat ze me ook nog principes van zen en van mindfulness uitleggen. Over hier en nu en belemmerende overtuigingen en accepteren door werkelijk te voelen wat er gebeurt. Alsof ik dat niet allemaal allang weet. Tjak.

Op weg naar haar toe had ik me afgevraagd of ik straks een nieuwe afspraak met haar zou maken, of voorlopig liever niet, vanwege de rekening die ik dan wel grotendeels vergoed krijg maar toch eerst zal moeten voorschieten. De vraag komt niet aan de orde. ‘Mail jij mij eind volgende week over welke stappen je gezet hebt om geld te verdienen?’ eindigt zij ons  gesprek. ‘Mag ook vanavond al zijn hoor.’ ‘Ja maar, het is druk, volgende week. Twee workshops, een lezing, moeder jarig, deadlines, ook dat nog.’ ‘Maakt niet uit. Al is het maar één nieuwe stap.’

Ergens ben ik blij. Soms is het wèl fijn als iemand gewoon zegt wat ik  moet doen.

Op weg terug naar huis schieten me twee eerste stappen te binnen. De eerste is dat ik niet meer ga bloggen als ik betaalde opdrachten af te ronden heb. Zoals ik die dag gedaan had. Begon mijn laatste blog bij wijze van opwarmertje voordat ik aan het echte werk ging, en opeens was het grootste deel van mijn afspraakloze werkuren om.  Soms gaat dat zo. Wil ik niet meer. Ik heb namelijk best betaald werk. Binnen twee weken drie deadlines (naast die workshops, lezing, verjaardag). Een van de drie opdrachten had ik prima af kunnen ronden in de tijd dat ik blogde over belemmerende gedachten.

Ja maar, bloggen is toch ook belangrijk?

Tuurlijk. Op een bepaalde manier wel. Zolang het niet in plaats van dingen komt die nog belangrijker zijn, zoals brood op de plank. Nu is het belangrijk genoeg om te bloggen als ik tijd over heb.

Ja maar.

Ja maar is hardnekkig.

Mocht het hier de komende tijd stil zijn, dan weet je waarom. Al hoop ik hier spoedig stap twee te zetten.

Wist je dat je op deze site kunt adverteren? Of word je graag stok achter de deur? Klik hier voor meer informatie.

Accepteren is een werkwoord

20150522_095535Ik zit weer twee dagen ondergedompeld in mijn opleiding tot mindfulnesstrainer.

Huh? Schreef ik dat niet pas nog?

Dat is een maand geleden.  Ik kan er niet bij. Een  maand? En wat heb ik in die maand dan gedaan, behalve dat artikel te schrijven waar ik zo lang mee bezig was? Ok, nog een paar artikelen. En wat blogs. En volgens mij was het ook na de vorige cursusdagen dat ik de laatste ‘oude’ blogs van mijn algemene website naar deze Add&Anke-website verplaatste – zo hé, dat was me een project. En verder? Een intervisiegroepsessie, waarvan ik hier nog geen verslag heb gedaan. Lezen over mindfulness, in de verplichte literatuur, heb ik ook gedaan. Maar minder dan voorgeschreven. Mijn ouders bezocht, diverse keren.  Zenmeditatie, ook nog. Ja hèhè, dat is niets nieuws. Mindfulnessoefeningen schoten er grotendeels bij in. Al heb ik er ook een begeleid in mijn Hub-club.

Waar bleef de tijd?

Ik realiseer me dat ik, in de tweeënhalve maand dat ik nu met mindfulness bezig ben, daar nog nauwelijks over geblogd heb. Vind het ‘te ingewikkeld’, merk ik. Waar zen voor mij haar nut allang onomstotelijk bewezen heeft, ben ik tijdens mindfulnessoefeningen zo vaak zo afgeleid, dat ik me er wel eens van af vraag of het wel iets voor mij is. Mijn hoofd zegt van wel. Mindfulness helpt je om bewust te worden van vaste patronen in je denken en doen, je ‘automatische piloot’, zeg maar. En hoe je, naarmate je je meer van die vaste patronen bewust bent, andere keuzes kunt maken.

Gisteren en vandaag staat de opleiding in het teken van ‘acceptatie’. Je bewust worden van patronen begint bij accepteren wat er is in het hier en nu. Mits je, zo aldus opleider Bert, accepteren opvat als iets actiefs. Het daagt mij dat ik ‘accepteren’ vaak heb beschouwd als ‘me erbij neerleggen’ of, recenter ‘mezelf er niet om veroordelen’. Zoals in: ‘ik accepteer van mezelf dat ik soms moeite heb met deadlines’. En: ‘ik accepteer dat ik sommige plannen en projecten steeds maar voor me uitschuif (en blijf er ondertussen aan werken om er beter in te worden)’. Ik ben minder vaak boos op mezelf en dat is heel fijn.

Actief accepteren gaat verder. Het betekent: zien dat ik treuzel om  bepaalde stappen te zetten, bijvoorbeeld om een mail te beantwoorden waarmee ik de uitvoering van mijn nieuwste project dichterbij breng, en daar dan bewust bij stilstaan. Stilstaan in de zin van nagaan hoe het voelt als ik treuzel. Of hoe het voelt als ik het patroon doorbreek en die mail gewoon schrijf en verstuur. Dan voel ik bijvoorbeeld mijn hart snel kloppen, krijg ik het benauwd. Rotgevoel.

Moet opeens denken aan het thema van een van mijn vorige coachingssessies en van de laatste sessie van mijn intervisiegroep: inkomen. Zou ik meer van willen hebben. Alleen al om praktische redenen. Maar telkens als ik besluit, min of meer besluit, eens te kijken naar wat mij ervan weerhoudt om daar werk van te maken, voel ik, juist ja, mijn hart sneller kloppen en krijg ik het benauwd. Rotgevoel.

Vandaag ga ik dus verder met leren hoe het mij, en mijn toekomstige cursisten, helpt om dat rotgevoel niet weg te wuiven, te negeren of te laten ondersneeuwen door nog maar weer een nieuw project, maar het te accepteren. Brrrrrr, ja zo voelt het dus echt. Brrrrr, patronen doorbreken. Dat wilde ik toch? Ja, juist ja, dat wilde en dat wil ik. Leuk, dat is heeeeel wat anders.

Vakantiegevoel

20150410_002648(0)_resized
Ik geef een workshop en ik neem mee…..

Als ik dit stukje begin is het even over half twee ‘s nachts. Achter het raam naast mijn bureau is het aardedonker – het enige uitzicht is mijn eigen spiegelbeeld in de weerkaatsing van het licht van mijn bureaulamp. Naast mijn bureau, schuin achter de stapels, liggen de spullen die ik morgen echt niet mag vergeten mee te nemen. Ik typ driftig tegen de klok in; ik wil zo snel mogelijk mediteren om tot rust te komen en dan naar bed.

Het lijkt wel de avond voor vertrek. Vakantievoorpret, in de vorm die voor mij decennialang het meest vanzelfsprekend was. Ik kon een reis maanden geleden hebben gepland, de laatste vierentwintig uur voor vertrek moest er altijd nog van alles: van inpakken tot adressenlijsten voor vakantiekaartjes printen, van nu toch echt mijn emailachterstand wegwerken tot de jaarlijkse grote schoonmaak.

Ik ga niet op reis morgen. Ik geef  morgen voor het eerst mijn Knipperende Kursor Kursus. Stond al een maand of vijf op de rol. Ben er al weken zo goed als klaar voor. Toch leg ik pas een kwartier geleden de laatste hand aan het programma. Blijkbaar is het spannend. Opeens riep de afwas, die ik al dagen negeer. Moet ik nu echt nog even bloggen. En tijdens mijn eerdere deadline deze week, was het opeens dringend nodig om oude blogs naar deze nieuwe site te verhuizen. En die kursor maar knipperen.

Klokslag twee uur. Het zit erop. De meeste pre-vakantienachten begonnen uren later. Ik ga de goede kant op, dat moge duidelijk zijn.

Bel me nou maar

‘De belangrijkste inzichten zijn vaak die waarvan je denkt: ‘Ja, hèhè, natuurlijk. Dat wist ik allang’, maar die je desondanks nooit eerder had bedacht’, zei mijn zenmeester een paar jaar geleden.

Nou, het is zover. Ik heb zo’n inzicht. Niet schrikken. Hij klinkt nogal, tja, nogal, nou, simpel. Nogal ‘Ja, hèhè, natuurlijk.’ Komt ie:

‘Als je de hele tijd maar zegt of schrijft dat je het druk hebt, dan denken mensen: ze zal wel geen tijd voor me hebben. En dan bellen ze je dus maar niet, bijvoorbeeld.’

Zo. Die hakte erin, deze week. Ik kwam erop door een berichtje, via de Facebookchat, van vriendin M: ‘Moet wel zeggen dat ik bij het lezen van alles waar je mee bezig bent, je nauwelijks nog durf te vragen om eens iets leuks met me te gaan doen.’ Volgend op twee vergelijkbare berichten van andere M. in korte tijd: ‘Ik begrijp het hoor, als je niet naar het feestje komt’ en ‘Laten we maar niet gaan, naar die lezing waar ik het over had. Doe maar eens een avondje rustig aan’.

Ik mopperde erover tegen Erwin. ‘Maar ik schrijf toch juist dat ik die drukte wil doorbreken? Dat ik vriendinnen veel belangrijker vind, dan mijn mailachterstand enzo? En ik heb toch ook wel eens gezegd en geschreven dat ik in tijden van drukte juist zin heb in zo’n feestje, bijvoorbeeld? Dat het vooruitzicht me juist helpt om het vol te houden? Dat ik, als het erop aan komt, vaak heus wel tijd kan maken? En dat we dus gewoon binnenkort eens bellen?’

‘Ja, dat schrijf je en dat zeg je. Net zoals je tegen mij zegt dat je het echt heel belangrijk vindt om de kelder verder op te ruimen. En om vaker te gaan dansen, wandelen  <……… en nog een rijtje dingen meer>.  Maar het komt er niet van.  Ik denk ook vaak als ik iets wil voorstellen om samen te doen: ‘Laat maar.’ Ik begrijp je inmiddels beter dan in het begin, maar ik kan je nog steeds heel vaak niet volgen. Kun jij hèn volgen?’

‘Ja maar…’

Ik hoor het mezelf vragend zeggen, ‘Ja maar.’ Tegenwoordig is dat een signaal, een veeg teken. ‘Ja maar’ is geen ‘ja’, in ieder geval.

‘Wat vind jij ervan, als je M een mailtje stuurt en ze reageert niet?’, vraagt hij. ‘Dan denk ik: ‘Nou zeg. Blijkbaar vindt ze me niet belangrijk.’ Zei collega X laatst trouwens ook, toen ik me ervoor verontschuldigde dat ik er zo lang over deed om haar mails te beantwoorden: ‘Je vindt het niet belangrijk, dat is duidelijk.’ Nou zeg, zij heeft nota bene ADHD. Als iemand moet kunnen begrijpen hoe het werkt, dan is zij het toch wel?’

Ook dat hoor ik mezelf zeggen. Terwijl X  doorgaans snel op haar mails reageert. Ik hoor mijn tegenstrijdigheden. Weet dat het ook nog zo is, dat ik uitnodigingen zo lang in mijn mail laat zitten dat ze verlopen. En dat ik, als ìk iemand uitnodig en hij of zij daarop een enthousiast mailtje stuurt, ik er makkelijk weken over kan doen om dat mailtje dan weer te beantwoorden.

Een traan welt op.

Maar hoe doe ik dat dan, bellen, mailen en zien wie ik graag bellen, mailen en zien wil? En dan ook nog werken? En rustig thuis zijn? Lezen? Studeren? Schrijven? Mijn ouders opzoeken? Ik weet het echt  niet.

Nou ja, een beetje wel. Prioriteiten. Kiezen. Maar hoe?

Kan zijn dat ik minder ga bloggen, de komende tijd. Al is het maar voor de beeldvorming. Het misverstand dat ik geen tijd heb en geen tijd zal maken moet maar eens de wereld uit.

Losse eindjes wereldwijd

20150328_191044
Met ‘Mom’, ‘Dad’ en vriendin Laura in Disney World, Kerst+Oud&Nieuw 1987-1988

Afbellen deed ik niet. Ik bracht mijn ‘stoere’ beslissing in een mailtje, drie dagen nadat ik besloot de tot beschimmelings toe uitgestelde opdracht terug te geven. Pas nadat ik daar, weer twee dagen later, het gesprek over aanging, was er lucht. Ongekend veel. Zon, ondanks regen. Tot die tijd bleef de knoop in mijn maag stevig zitten. Met doorwaakte nachten tot gevolg. Had ik kunnen weten. Losse-eindjes ervaring genoeg in mijn leven.

Een van die afgelopen doorwaakte nachten besloot ik mijn rusteloosheid n daden om te zetten. Het moet na drieën geweest zijn. De beslissing klinkt opgewekter dan hij voelde. Er stond een doos in de huiskamer, karton met vochtplekken, oranje belettering, het adres van mijn voor-voor-voor-voor-vorige woning, en dat alles in een vastgeplakte wolk stof. Een paar weken geleden naar boven gehaald, in een optimistische roes na een jaren uitgesteld zondagje kelderruimen. Net als de talloze eerdere malen dat ik rond die doos bezig was, was ik niet verder gekomen dan dat ik hem openmaakte, een graai deed in de losse foto’s, kledingstukken en prullaria, enkele dingen daarvan weggooide, er inhoud uit een vergelijkbare doos aan toevoegde en besloot: Nee laat maar. Komt wel een keer als ik tijd heb. Misschien bij de volgende verhuizing. Wanneer dat ook is.

20150328_190345Nu ging ik ervoor zitten. Muziekje op, kop thee erbij. Ik begon als vanouds. Een graai in de losse spullen. Een vlag van de Detroit Tigers, uit mijn High School Year 1987-1988. Een beker van de Gran Ole Opry in Nashville, uit het voorjaar van 1988.  Affiches van de toneelvoorstellingen waar ik op CrossLex High School, in speelde. Een hartjesdoos vol brieven, periode, naar schatting, van 1988 tot 2004. Een grijzig groen Hemaschort, relikwie van een van mijn eerste bijbanen, 1989.  Een Surinaamse verkiezingsvlag, uit afstudeerjaar 1996. En mijn Amerikaanse schoolagenda.

Veel ging weg, de agenda bleef. Sterker, in sloeg hem open. Bekeek de losse velletjes – oefenprogramma voor de toneelstukken Our hearts were young and gay en Onions in the stew. Een foto van het American Footballteam van school. Mijn hardloopschema. Een cijferlijst (Vooral A’s en B’s, bij journalistiek een C+ en de mededeling ‘shows improvement’) En toen de foto’s, van Amerikaanse klasgenoten, mijn Nederlandse hartsvriendin, de Nederlandse schooltoneelclub en mijn twee beste Amerikaanse vriendinnen, Laura en Patty. Met bijbehorende brieven. Over hoe leuk we het hadden, op feestjes bij mij thuis, cruisend in het dichtsbijzijnde stadje Port Huron,  gierend van het lachen in de auto. Dat ze me zullen missen. Dat we – please, please-  contact moeten houden,  ‘Onze vriendschap is nog maar net begonnen.’ Een traan welde op. Met Laura en Patty, miste ik opeens ook mijn Argentijnse vriendinnen Myriam, Melina en Norma, die dankzij Facebook en email net iets minder ver weg lijken – al laat ik ook hun berichten maanden onbeantwoord.

20150328_190944
Heimwee had ik ook, in Amerika. In mijn schoolagenda telde ik de dagen af voordat ik weer naar Nederland vertrok.

Over losse eindjes had ik het. Bij elk afscheid van een uitwisselingsjaar, woonplaats, baan of hobby liet ik ook vriendinnen en vrienden achter. Eenmaal uit het oog, verzon ik, nauwelijks bewust, een verhaal om het afscheid draagbaar te maken. ‘Wat  is Amerika toch een naar conservatief land’, drukte ik mijn herinneringen aan Amerikaanse vriendinnenlachbuien weg. Anderen ‘kregen wel een héél ander leven, mij te huisje-boompje-beestje.’ Banen pasten me achteraf bij nader inzien nooit. En de samenlevingen van landen waarin ik me toch echt een poosje thuis gevoeld heb, waren toch wel heel erg anders, niet te doen anders, dan de onze.

20150328_190504
In 1987-1988 was ik nog bij: zie hier het overzicht van wie ik wanneer een brief gestuurd had.

In de donkerte van de doorwaakte nacht somberde ik dat de meeste van die verhalen niet kloppen. Meer dan van ‘levens die niet meer op elkaar aansluiten’ hebben mijn vriendschappen te lijden onder mijn eeuwige losse eindjes op andere vlakken. Pas als de emailachterstand weg is, het artikel af, het artikelvoorstel verstuurd, de workshop voorbereid, de afwas weggewerkt en mijn ouders bezocht…. …

bel ik vriendin…..X, zo neem ik me voor. Maar nee, dan ben ik moe, val ik in slaap of niet, en begin ik de volgende dag met het opbouwen en wegwerken van nieuwe achterstanden.

Zo ook vandaag. Had een Pronkstuk zullen schrijven, een workshopopzet uit zullen werken en een artikelvoorstel zullen specificeren. En daarna, ja, nou, gezellig, een vriendin, mijn broer, een nicht of tante zullen bellen. Maar ja. Ik had een blogachterstand.

Check.

Kop in het zand, knoop in mijn maag

Mijn laatste blog van vorige week, Te goed of Kop in het zand, zit me niet lekker. Waar dat hem in zit weet ik maar voor een deel. Het kop-in-het-zand-deel.

Was het maar waar, dat ik alleen in tijden van crisis mijn kop in het zand stak. Mails onbeantwoord liet. Toezeggingen liet verjaren. Voornemens liet verstoffen. In tijden met een duidelijk aanwijsbare en bovendien algemeen als plausibele reden aanvaardde drukte, durf ik mijn kop in het zand toe te geven. Dan heb ik focus, die crisis namelijk, en kost het me minder moeite om te kiezen. Ik had het niet voor niets ooit over de Zegen van pech. Die zie ik nog steeds.

Ik kan triomfantelijk vertellen over dat ik in en rond crises sneller mijn evenwicht hervind en dat ik af ben van de gewoonte om anderen de schuld te geven, maar ondertussen loop ik mijn achterstanden nu nauwelijks harder in dan twee weken geleden. En een van de klussen die me in de recente crisisperiode stress aanjoeg, zou, was het een stuk fruit geweest, inmiddels wit-groen-blauw-grijs zien van de schimmel of bruin van de rot. Relatieve rust of niet, ik kom er niet toe om ‘gewoon’ de telefoon te pakken en te zeggen: ‘Sorry, het lukt me niet meer.’ Of het alsnog ‘gewoon’ te gaan doen.

Dat wetende, voel ik al de hele week een knoop in mijn maag. Gebonk in mijn keel. Heb ik tijd, doe ik nòg niet wat ik moet-wil-zou. Of, beter gezegd: doe ik daar maar een beperkt deel van. Deels omdat ik nu eenmaal niet voor alles de tijd heb. Deels omdat ik, àls ik het dan eindelijk doe, ik het ook nog eens perfect wil doen. En deels, vanwege die knoop in mijn maag en het gebonk in mijn keel. De schaamte waar dat voor staat, werkt nogal verlammend. Ook al weet ik dat het echt geen monsters zijn die op me zitten te wachten, integendeel zelfs.

‘Als je doet wat je deed, krijg je wat je kreeg’, citeerde mijn haptonome ooit. Om te zeggen dat er pas echt iets verandert, als ik zelf dingen anders doe.  Vandaag ga ik bellen. En deel twee van het verhaal over wat me niet lekker zat – over dat de driehoek minderwaardigheidscomplex-meerderwaardigheidscomplex-werk/inkomen – vertel ik gewoon de volgende keer. Eén knoop per keer ontwarren is wel voldoende.  Heb nog wel meer te doen vandaag, tenslotte.

 

 

Te goed of Kop in het zand

IMG_3682
Houd ik daarom zo van duinen, zee en strand?

Hij twijfelde even voordat hij het zei, de psycholoog die begin vorig jaar suggereerde dat ik ADD heb. Gaf dat ook toe. Maar hij zei het:  ‘Een minderwaardigheidscomplex gaat vaak gepaard met een meerderwaardigheidscomplex.’ Of woorden van gelijke strekking.  De context: een belangrijke aanleiding voor mij om naar hem toe te stappen, was dat ik er maar niet toe kwam om werk te maken van mijn vele ambitieuze plannen en ideeën, ondertussen nauwelijks inkomsten binnenhaalde maar ook niet achter ander werk aanging. Voor wat ik wil voel ik me te min, voor wat ik moet voel ik me te goed. Zoiets dus, was zijn idee.

Het hakte erin. Ik, die pretendeer mensen die niet of nauwelijks gehoord worden een stem te geven, voel me te goed om mijn handen uit de mouwen te steken? De stelling bleef en blijft me achtervolgen. Het bracht me ertoe om postbezorger worden. Drie dagen van drie uur per week, veel beweging, buitenlucht en nog een basisinkomenpje ook, ideaal toch? Niet dus, en dat wist ik van tevoren: tussen elke activiteit heb ik, typisch AD(H)D, veel tussentijd nodig. Drie keer drie uur kwam daarmee neer op drie werkdagen die ik niet of nauwelijks aan mijn journalistieke werk besteedde. Negen maanden lang kwam ik nauwelijks boven dat basisinkomenpje uit. En maar blijven proberen. Want ik moest het toch kunnen. Ik wilde vooral niet dat Ze zouden denken dat ik me te goed er te goed voor voelde.

Hoe goed ik ook weet hoezeer ik de afgelopen weken in beslag genomen werd door ouderlijke zorgcrisis, ADD-activiteiten, een opleiding en enkele journalistieke klussen en hoezeer ik ook burnout-naderende symptomen herkende, hoor ik het de psycholoog weer zeggen, ‘Een minderwaardigheidscomplex gaat vaak gepaard met een meerderwaardigheidscomplex.’ Nu ik weer min of meer uitgerust ben en de draad voor de zoveelste keer opnieuw oppak, zie ik voor welke klussen ik tijdens de crisis tijd en ruimte heb weten te maken, en voor welke niet. En wanneer ik ‘gewoon’ tegen degenen die op me wachtten toegaf dat het niet lukte  en nieuwe afspraken maakte… en wanneer niet. Tot mijn verbazing – heb ik die lessen nu nòg niet geleerd – heb ik hier en daar mijn kop diep in het zand gestoken. Mails onbeantwoord gelaten, toezeggingen zonder opgaaf van reden niet nagekomen, gedaan alsof mijn neus bloedt.

Er zijn tijden geweest dat dat voor mij min of meer normaal was en voor mezelf wist goed te praten (‘Hoe kunnen Ze in godsnaam verwachten dat ik dat allemaal voor elkaar krijg, ik vertik het om weer nachten door te werken, dat Zij dat zo nodig willen doen moeten Zij Dat Zelf weten, en Zo Belangrijk Is Het Allemaal Toch Ook Weer Niet, waar maken ze zich toch druk om?’) Nu baal ik. Als ik iemand iets te verwijten heb, dan ben ik het toch echt zelf. Dat doe ik, mindfulness-getrouw, op vriendelijke en nieuwsgierige wijze. Waarom hield ik me groot? Waarom zei ik niet eerder dat iets niet ging lukken? Waarom ging ik überhaupt verplichtingen aan die me afhouden van òf in mijn levensonderhoud voorzien òf de dingen die ik echt wil – deze blog, mijn aanverwante ADD-ervaringsdeskundigheidsactiviteiten, bepaalde journalistieke verhalen – terwijl ik weet dat het me zoveel moeite kost om op mijn pad te blijven, overeind te blijven soms zelfs?

Kiezen, dat zal ik nog bewuster moeten doen. En toegeven, allereerst aan mezelf, dat ik niet alles kan. Laat ik dat nu net verschrikkelijk moeilijk vinden. Misschien juist wel omdat ik niet wil dat mensen denken dat ik me ergens te goed voor voel of juist dat ik het nooit zal kunnen. Iets zegt me dat ik desondanks op de goede weg ben.

Opnieuw beginnen

De rust van het relatieve evenwicht houdt aan. Goed,  na de twee opleidingsdagen met verkwikkende focus, gevolgd door een dagje treinen en weg, lag ik weer een nacht wakker. Gisteren deed ik alles wat ik deed dus met vertraging. Had ik mijn aloude neiging om tien dingen tegelijk te doen, telkens bang dat ik iets vergeten zou als ik er niet nù aan begon en/of dat ik zou instorten van vermoeidheid voordat ik ook maar één van die tien dingen af zou krijgen.

20150317_095416_resized
De stapels naast mijn bureau. 17 maart 2015

Kreeg inderdaad weinig af. Pech speelde mee. Van de negen mensen die ik benaderde voor een interview, kreeg ik er vier aan de lijn, van wie er drie ‘nee’ zeiden op mijn verzoek en één: ‘nu niet.’ Een mengeling van eigenwijsheid en kop-in-het-zand was er ook. Opeens was mijn nieuwe website veel belangrijker dan welke afspraak dan ook. En gebrek aan overzicht. De weken van kip zonder kop hebben voor stapels gezorgd. Die maken  dat elke klus die ik nu dan eindelijk eens klaren wil, begint met een zoektocht. Was ooit gewoon.  En aanleiding om professionele opruimhulp te zoeken. Daarover later meer.

Nu een laatste stand van zaken van de stapel naast mijn bureau: zie hierboven. Hieruit heb ik zojuist de lesopzet van mijn aanstaande Knipperende Kursorworshop, de stemkaarten voor de staten- en waterschapsverkiezingen van morgen en een aantal te betalen rekeningen gevist. De rekeningen die ik nu eindelijk eens bij de zorgverzekering wil declareren kwam ik helaas niet tegen. Het zij zo. Met wat nu niet lukt, kan ik – opnieuw een zenles, die ook in mindfulness leidraad is – elke dag opnieuw beginnen.

Van geen vreemde

20150302_133205_resizedNou ja, de crisis bezworen…. het is maar wat je daaronder verstaat.

Ik heb lang gedacht dat een crisis geen crisis is als je hem niet van dichtbij ziet. Dan is de crisis in het verre noordoosten van Rotterdam geen crisis als je in de duinen bij Bergen loopt. En al helemaal niet als je telefoon op stil staat en je die ook vooral niet bekijkt – want dan zie je opeens ook weer die mails en sms’jes en dan ‘moet’ er opeens weer van alles en dan zie en voel en ruik en proef ik die zeelucht niet meer en waarom, o waarom, zou ik, als ik het niet laten kan om mijn mobiel in de gaten te houden, zo’n voor ons doen best prijzig tripje organiseren? Pas als ik zie dat moeder mij al twee keer heeft proberen te bellen en het zelfs op Erwins telefoon al eens probeerde, op onze laatste (=huwelijksjublieum-)avond nog wel, is de crisis opeens terug. En de ergernis groot, als mama vooral lijkt te willen vertellen over hoe leuk ze het vroeger zelf vaak in dat mooie zee- en kunstenaarsdorp heeft gehad.

‘Lijkt.’ Een verraderlijk woordje. Wat lijkt dat is niet.

Ze wil vertellen dat ze nog steeds veel pijn heeft, zoveel pijn dat ze helemaal niet ‘alweer op de been is’. Dat de dokter heeft voorgesteld om haar te laten opnemen in het ziekenhuis, voor grondig onderzoek. Vertelt ze ook. Gevolgd door: ‘Maar ja.’ En dat dan weer gevolgd door een onontwarbare kluwen redenen om dàt dan toch nog maar even niet te laten doen. En of we het leuk hebben, in dat mooie dorp. Of Erwin het ook mooi vindt? Echt, zijn jullie bij De Zusters geweest? In dat steegje? Nee, aan een kruispunt. Nou, dat zal dan iets van dezelfde eigenaar zijn geweest. Ik ben daar heel vaak geweest.’ ‘Leuk ja. Maar we zijn nog op vakantie. Ik kom morgen langs.’ ‘Wat ben je kortaf.’ ‘Ja. Tot morgen.’ Naja, zo ging het niet precies. Duurde allemaal wat langer. Ik wilde ophangen zodra duidelijk was dat er geen crisis was waar ik iets aan veranderen kon. Maar ja.

Hoe meer ik de laatste tijd weer met mijn moeder optrek, hoe meer ik bij haar herken van wat ik voor mezelf tegenwoordig als ‘AD(H)D-trekjes’ zie. En hoe meer ik me de vraag stel of AD(H)D wel een min of meer onafhankelijke ‘stoornis’ is. Er zal vast een afwijkende kronkel ik mijn hoofd zitten, maar hoe die er gekomen en/of gebleven is… dat kàn niet alleen iets genetisch zijn. Uitstellen heb ik duidelijk van geen vreemde. En mijn definitie van crisis is, net als die van mijn moeder, nogal rekbaar. Hoeveel verschil is er, tussen niet naar het ziekenhuis gaan als je als je van de pijn niet bewegen kan en werk zoeken/tarieven verhogen/sneller werken uitstellen totdat ik de rekeningen niet meer betalen kan? Ik begrijp deze dagen opeens beter waarom ik, als ik dan weg ben, liefst helemáál weg ben. Als ik zelfs bij noodtelefoontjes meekrijg dat ik maar beter niks kan doen… En waarom ik me bij èlk telefoontje, sms’je, mailtje dat ik zie bij voorbaat schuldig voel dat ik niet direct antwoord of dat ik, als ik antwoord, nooit Het Juiste antwoord zal kunnen geven. Pffffffffffff, alles wat ik doe kan immers…….

Ben blij dat we die duinen en zeelucht in ieder geval gezien, gevoeld, geproefd, geroken en genoten hebben. Crisis of geen crisis, stress was er in overvloed. En afstand helpt om daarmee om te kunnen gaan.

Stok achter de deur  van vandaag: Annemarie Sweep. Dank je, Annemarie!

Add onder de zon

En nu ophouden met het gedonder. Binnenkort geef ik een workshop over het doorbreken van concentratieproblemen en uitstelgedrag tijdens het schrijven, en wat doe ik: ik houd de hele dag mijn schrijfkop onder het zand. Sla het bloggen toch eens over, zei ik tegen mezelf. Ik heb genoeg dringender klussen te lang laten liggen. En ik voel me al vier dagen niet lekker, dus mijn computer mag vandaag vroeg uit. Ook al ontdekte ik vanochtend dat mijn stok achter de deur vandaag in Argentinië staat. Ton zal me wel begrijpen, hield ik me voor. Martin kwam vanavond eten. En morgen is het weer vroeg dag. Vast, Ton begrijpt het vast. Zoals iedereen begrijpt dat mijn dag soms te vol is voor een blog. Maar ik wil het niet uitstellen. Er zit niet elke dag iemand in Argentinië op mijn blog te wachten.

Schrijven dus. Dit was mijn achtste poging om met dit stukje te beginnen en zie hier: eindelijk is de poging geslaagd.

Ander onderwerp. Uitstelgedrag wordt afgezaagd.

De Samenleving. ‘Is het ADD of is het gewoon ‘de samenleving’ waar je last van hebt?’ vragen mensen me soms. ‘Altijd moeten presteren, altijd bereikbaar moeten zijn, continu prikkels, vind je het gek dat je niet kunt concentreren?’ Nee, vind ik niet gek. Ik vind het eerder gek dat zoveel mensen die druk(te) normaal lijken te vinden. Normaal genoeg althans om geen moeite te doen om zich eraan te onttrekken. Stedentrips zijn populairder dan stilteretraites.

Hoe beleefde ik ‘mijn ADD’ toch in Buenos Aires, vraag ik me vaak af. Ik heb ruim anderhalf jaar in die stad gewoond en kwam er daarna nog een paar keer een maand terug. In Buenos Aires schaamde ik me zelden als ik ergens te laat was. Wat we in Nederland als ‘te laat komen’ beschouwen, geldt in Argentinië als ‘puntual’ – stipt. ‘Llegar tarde’ begint met een half uur vertraging. Scheelde me een hoop stress en bezorgde me vele onverwachte rustmomenten – ‘Is mijn afspraak nog niet gearriveerd? O, dan heb ik eindelijk tijd om de krant te lezen.’ En dat plannen daar grotendeels op de dag zelf plaatsvindt – ‘Bel me tussen drie en vier, dan weet ik of ik na zevenen tijd heb of dat we het beter morgen kunnen proberen’ – maakte dat mijn agenda er zelden vol was en ik me evenmin verveelde. Kon het ene interview of koffieafspraakje niet doorgaan, dan was iemand anders ‘toevallig net in de buurt en vrij.’ Niks ‘donderdag over twee weken heb ik tussen twee en vier nog een gaatje en stress als dat gaatje uiteindelijk precies in een deadline-eindsprint blijkt te vallen. En om gelijk een vooroordeel uit de weg te ruimen: ik heb niet bepaald het idee dat de de Argentijnen die ik ken minder hard werken dan Nederlanders. Integendeel zelfs.

Veel Nederlanders die korte tijd in een zuidelijke land wonen, ergeren zich eraan dat ze nooit van een afspraak op aan kunnen. Mij gaf dat juist rust. Al kon ik me eraan ergeren als simpele regeldingen opeens uren in beslag namen. En begrijp ik achteraf niet hoe ik sliep in een stad waarin het ook ‘s nachts nooit stil is. En hoe ik mijn deadlines haalde, vroeg in de Argentijnse middag als het in Nederland al avond was, terwijl ik vaak na tienen ‘s avonds nog afspraken had.

Blijkbaar zit stress door afleiding hem niet in de prikkels alleen. Is het de combinatie van prikkels met het gevoel dat ik mee moet in een planning die niet de mijne is? Of smelt stress in de zon? No tengo idea. Ik zou het gewoon weer eens moeten onderzoeken.

Stok achter de deur van vandaag: Ton Hendricks. Muchas gracias Ton!