Tagarchief: diagnose

De Hoofdpersoon

20150420_144821Afgelopen week bevond ik mij, voor het eerst in een aardige poos, weer eens in journalistieke kringen, de journalistieke kringen waar ik het meest van houd. Ik was op de Conferentie Verhalende Journalistiek. Het thema: De Hoofdpersoon. In de verhalende journalistiek hebben we het niet over een min of meer onpersoonlijke ‘bron’, ‘zegsman’ of ‘functionaris’ maar over De Hoofdpersoon, een persoon van vlees en bloed, met een karakter en emoties, die een doel nastreeft, handelt, faalt of slaagt. Een hoofdpersoon wiens verhaal uniek is en tegelijkertijd staat voor iets groters, iets universeels en, meestal, een maatschappelijk verschijnsel. Iemand met wie de lezer of kijker zich kan identificeren, waardoor het verhaal beklijft.

Vrijwel altijd gaan dat soort journalistieke verhalen over levens met een omweg, van het soort waaraan ik inmiddels vaak mensen met AD(H)D weet te herkennen. Daar zit drama in, daarin gebéurt iets. Behalve een interessante hoofdpersoon, vereist een goed ‘verhalend journalistiek verhaal’ actie, een aaneenschakeling van handelingen, vallen en opstaan, leidend tot een plot.

Radiomaker Jaïr Stein opende de conferentie met de anekdote over zijn beste vriend Alexander, die hem jaren terug snikkend belde, met een artikel in zijn hand over het syndroom Asperger, een vorm van autisme. Al lezende, bellende, snikkende, ontdekte Alexander dat hij Asperger heeft en ziet zijn leven aan zich voorbij trekken. Jaïr kost het de grootste moeite om in de rol van beste vriend te blijven en niet toe te geven aan de journalist in zichzelf, juichend om de vondst van ‘dit prachtige verhaal.’ Hij maakte een radioreportage over zijn vriend, zij het jaren na dat telefoongesprek. Pas toen waren Jaïr en zijn vriend daar klaar voor.

AD(H)D en autisme zijn verwant aan elkaar, weet ik sinds een poosje. Een van de onderwerpen die op de conferentie ter discussie stond, was de vraag wanneer het iets toevoegt als ‘de ik’ een rol, of zelfs een hoofdrol, krijgt in een journalistiek verhaal. Het mag, daar is ‘men’ het over eens, als die ‘ik’ werkelijk een rol speelt in het verhaal, anders dan die van de schrijver die zoekt en zoekt en zoekt naar informatie en die dan eens wel en dan eens niet vindt. Nog even afgezien van de rol van Anke in Add&Anke, sterkte de anekdote me erin om nu ook in deze journalistieke kringen uit de kast te komen. Collega’s, potentiële opdrachtgevers en wie het maar horen wil, vertelde ik over min blog, site en andere Add&Anke-activiteiten. Niet tussen neus en lippen door, maar als antwoord op de vraag ‘Waar ben jij tegenwoordig mee bezig?’

Niet dat ik mijn blog beschouw als journalistiek project. Daarvoor draait het (nog?) teveel om mij, om mijn persoonlijke ervaringen en inzichten, zonder dat ik deze stelselmatig in de context plaats van maatschappelijke discussies en journalistiek en wetenschappelijk onderzoek. Soms vind ik dat ik dat meer zou moeten doen. Ik ben toch journalist? En kwamen we er bij Effectief met AD(H)D (en veel eerder al, bij de haptonome) niet op uit dat ik meer mijn plek in moet nemen? En dat mijn werk dusdanig belangrijk voor me is, dat ik dat vooral ook in mijn werk moet doen?

De reacties op mijn openbaring in journalistieke kringen wisselen. De meeste zijn, al dan niet voorzichtig, enthousiast. Iets in de trant van: ‘Het moet prettig zijn, als je opeens beter kunt plaatsen waarom dingen gaan zoals ze gaan, dat je niet de enige bent. Kan interessant zijn om daar ook in kranten en tijdschriften voor te schrijven.’ En soms, als ik verder vertel over een mogelijke hoofdpersoon die ik laatst ontmoette: ‘Goh, wat een mooi verhaal.’ Er zijn er ook die verveeld wegkijken. ‘Rugzakkinderen, ADD, ADHD, Asperger, Nieuwetijdskinderen, overdiagnosticering, de Libelle en Margriet stonden er vijf jaar geleden al vol mee.’ Soms denk ik dan: ‘Komt het te dichtbij? Heb je zelf zo’n kind? En ben je bang dat dat misschien wel betekent dat je zelf ook wel eens in aanmerking zou kunnen komen voor een berucht Labeltje? Of, tja, of….. ‘ Kan ook gewoon een kwestie van smaak zijn. En ja, natuurlijk wordt er veel, erg veel over kinderen met labeltjes geschreven. Bovendien: vindt een redacteur het een slaperig idee, een artikel over ADD, dan zullen er potentiële lezers zijn die dat ook vinden. Maar wat als ik nou eens een heel ander soort ADD-verhaal vertel?

Mij komen verhalen over AD(H)D in ieder geval vaak erg dichtbij, anders dan en misschien toch ook wel vergelijkbaar met Alexanders verhaal voor Jaïr. Dat verhaal gaat ook over vriendschap en over hoe een vriend als journalistieke bron gebruiken de vriendschap onder druk kan zetten. Voor mij komen de meeste interviews die ik in de afgelopen maanden met mede-AD(H)D’ers heb gehad dichtbij omdat ze voor mijn gevoel ook altijd over mij gaan. Al is het maar wegens mijn verbijstering, keer op keer, over hoeveel mijn leven overeenkomt met dat van een volslagen ander persoon – qua omwegen, burn-outs, de continue ideeënstroom, het slechte slapen, de fantasierijke meisjesdromen en  de reacties van de buitenwereld – verveeld wegkijken, ‘het  lijkt wel of alle kinderen tegenwoordig wel ìets hebben’, niet horen dat ik het helemaal niet over kinderen gaat en nog minder over overdiagnosticering, maar, in tegendeel, over jarenlang hulpverlenerhoppen wegens burn-out, ‘het zit er wel in maar het komt er niet uit’ etcetera, zonder dat het woord AD(H)D valt, enzovoort, enzovoort, enzovoort.

Nu heb ik dus laatst een mogelijke hoofdpersoon ontmoet. Een die heel graag haar verhaal vertelt, een verhaal waar ik zo graag naar luister, dat het me opeens beter lukt om mezelf erbuiten te houden. Een verhaal waarin de dromen en drama’s van vele volwassen vrouwen met ADD samenkomen, weet ik op basis van zowel gesprekken als het nog beperkte maar wel aanwezige wetenschappelijke onderzoek naar deze groep. Een verhaal waar ik enkele collega’s mee heb doen glunderen. Ik heb het vaker gezegd, en je weet maar nooit hoe het allemaal lopen gaat, ik voel een Nieuw Begin aankomen. Als ik er klaar voor ben. Van hoofdpersoon in Add&Anke naar journalist verhalend over ADD.

Stok achter de deur van vandaag: Bernadette Kester. Dank je Bernadette!

Werk aan de winkel

We hebben afscheid genomen, de jonge grote meneer van PsyQ en ik. Heel netjes, met een hand. ‘Dan wens ik je veel succes met de rest van je leven en hoop ik – dat klinkt heel gek misschien – dat we elkaar nooit meer zien.’ ‘Zo gek klinkt dat niet. Maar dankjewel.’ En dat alles op vrolijk-vriendelijke toon. Welgemeend. Trouwe lezers zullen moeite hebben om dat te geloven.

Maar zo ging het. Vorige week, voorafgaand aan deel twee van de Introductiegroep ADHD voor volwassenen, had ik de eerder afgezegde afspraak opnieuw laten inplannen. Omdat ik hem ooit niet voor niets gemaakt had en ik het vervelend vond om hem anoniem, via de receptie, af te zeggen. Tot een minuut voor aanvang had ik geen idee wat ik met de afspraak aan moest. Omdat mij destijds gevraagd was om in dit eerste gesprek een doel te stellen, had ik het doelenlijstje dat ik deze week ook voor de zenlessen gemaakt had in mijn tas gestopt. Een van de voornaamste doelen op dat lijstje: het doorbreken van stereotypen, slachtofferschap en medicijnafhankelijkheid van mensen met ADHD. Wie weet, stelde ik me voor, kon ik meneer wel helpen, in plaats van hij mij.

Het lijstje is niet aan bod gekomen. Na meneers vraag: ‘Hoe is het ermee?’ en mijn antwoord ‘Heel goed’, kwam de vraag of ik denk dat hij nog iets voor me kan betekenen. En mijn oprechte antwoord dat ik niet zou weten wat. Voor wat betreft ‘behandeling.’ En dat ik met Effectief met ADHD al zoveel verder ben gekomen en van de gesprekken en bijeenkomsten bij PsyQ wijzer noch vrolijk werd. Op vriendelijke toon. En hij kon zich dat voorstellen. Op vriendelijke toon. Of hij het dossier dan maar zou sluiten? Dat leek me goed.

We hadden het ook nog even over medicijnen. Wat als, stel dat, ik ze ooit toch nog eens zou willen proberen? Nou, dan mag ik terugkomen. Moet ik opnieuw de molen door, maar dat zal sneller gaan omdat de diagnose ADHD nu eenmaal voor de rest van mijn leven geldig is. Of er iets anders was wat hij kon doen?

‘Het klinkt gek misschien’ zei ook ik nu, ‘maar ik wil graag als ervaringsdeskundige aan de slag. Misschien kunnen we samenwerken?’

Dat ik dat durf, zo’n vraag. En wil. Was PsyQ niet ‘De Vijand’?

Van vragen leer je meer dan van je mening opdringen, hoor ik luisterprofessional Corine Jansen opeens zeggen.

‘Nee, dat doen we niet meer. In het verleden nodigden we vaak ervaringsdeskundigen uit om in de introductiebijeenkomsten hun verhaal te vertellen, bijvoorbeeld. In samenwerking met belangenvereniging Impuls. Maar de zorgverzekeraars willen dat niet meer betalen.’ Onvoldoende bewijs dat het werkt.

Er volgde een gesprek, nu, anders dan eerst, gewoon gelijkwaardig. We hadden het al even over de nadruk op problemen gehad, en het negatieve effect daarvan. Onderkende hij. Probeerde hij ook anders te doen. Als is het nu eenmaal zo dat de meeste cliënten pas bij PsyQ komen als ze ernstig vastgelopen zijn en die problemen toch al centraal staan. Zorgverzekeraars willen dat de diagnose – de symptomen/problemen dus – leidraad is. Dat ik in de groepsbijeenkomst duidelijk had gezien dat de meeste deelnemers meer behoefte hadden aan het uitwisselen van ervaringen, dan aan de officiële informatie. En dat de begeleiders daar nauwelijks ruimte aan gaven. Net zo min als aan ‘wat werkt wel.’ Hij had zelf dergelijke introductiegroepen begeleid toen ze nog uit vier in plaats van twee bijeenkomsten bestonden. Was veel prettiger. Konden mensen inderdaad ervaringen uitwisselen en kon hij uitgebreider op dingen ingaan. Kon niet meer. Net zo min als samenwerken met andere partijen zoals, jawel, het ADHD-centrum. Wat ze ooit wel deden en prettig en vruchtbaar was. Het moest efficiënter. De zorgverzekeraars.

Ik was er nu toch. Ook mindfulness mogen ze niet meer aanbieden, vertelde hij. Niet meer aan mensen met ADHD in ieder geval. Hoeveel baat sommigen daar ook bij hebben. Mensen met ADHD minder dan mensen met angststoornissen of depressie, maar toch. Alleen na een derde terugval van depressie staan zorgverzekeraars mindfulness door PsyQ toe. Hij hief zijn hand en sloeg ermee tegen zijn hoofd. ‘Absurd.’

Ik wil meer mijn plek innemen, zong het diverse cursusdagen bij het ADHD-centrum lang. Ook als journalist. Efficiëntiedwang dwingt behandelaars tot negatiefstemmende benadering en houdt vernieuwende samenwerkingsverbanden tegen. Volgens mij is er werk aan de winkel.

Zo heerlijk rustig

Het filmpje dat ik vorige week liet zien, van de jongen met ADHD die, in  eigen tempo en temperament uitlegt wat er in zijn hoofd gebeurt, hield me dagen de greep. De herkenning. En daarmee de erkenning – want nee, de meeste lezers herkenden zich juist niet – van mijn anders-zijn. Zegt me in zekere zin meer dan de diagnose. Ja, die drukte in mijn hoofd, hoezeer zen mij ook helpt die binnen de perken te houden, dat is mijn basis, mijn referentiekader, dat wat er altijd zal zijn als ik niet keihard mijn best doe om ‘gewoon fit’ te zijn. En die zit me nog vaak in de weg. Helemaal als die draaikolk aan gedachten zich tegen me keert, als in: ‘Zie je wel, daar gáán we weer. Waarom ben ik niet gewoon…..  enzovoort’.

Zo ook de afgelopen week. Twee deadlines had ik te halen, tegelijkertijd, waarvan één voor een net wat diepgravender artikel dan ik de laatste maanden in opdracht geschreven had. Ging vrij soepel, eigenlijk. Toch, als ik dan pauze nam, even afstand, dan was er de stem ‘ojee, wat zit je te treuzelen’ en moest ik, in plaats van ècht pauze te nemen, de afwas doen, oud papier wegbrengen, een boodschapje doen, de krant lezen. En waren er opeens kostbare uren om en moest het alsnog ’s avonds laat of ’s ochtends voor dag en dauw. Ze kwamen er, beide stukken. Zoals er, ff tussendoor, ook een opzet kwam voor een schrijfworkshop waarvan de naam op mijn nieuwe website zal worden onthuld, plus, zondag, mijn eerste introductieworkshop zenmeditatie voor mensen met ADD of ADHD. Zonder al teveel moeite. En naar tevredenheid.

En toen was die zenworkshop er en voelde ik me daar omheen grieperig en wilde ik gisteren heel rustig aan doen en deed ik dat niet en ging ik ook nog naar een informatiebijeenkomst van PsyQ vol ernstige gezichten pratend over de problematische kant van in mijn ogen toch ook best fijne karaktereigenschappen en de paar vrolijke types die er waren werden zuinig glimlachend afgeremd en toen fietste ik naar huis en bedacht ik met weemoed dat Effectief met ADHD bijna ten einde is, net als stamkroeg DikT en mijn postbaan sinds dit weekend ten einde zijn en hoe dat nou verder moet en hoe ontkom ik aan dat zwarte gat en ojee, nee toch, niet weer, niet weer wakker liggen, jawel hoor dus toch, nou goed dan, plannetjes maken voor een weekendje weg en dan vanochtend toch maar weer zo fris mogelijk beginnen.

Belt zojuist een van mijn hulpbronnen, mede-cursiste Zeven, die helaas niet bij mijn zenworkshop kon zijn, om te vragen hoe het gegaan was.

Nou, goed. Heel goed. Lage opkomst, maar wat wil je als je vier dagen tevoren de uitnodigingen verstuurt. Ik vertelde mijn zen-en-add-verhaal. Herkenning, met lach en traan, ter inspiratie. En ze gingen er vol in. Na de twee minuten mediteren in stilte om erin te komen, en mijn verhaal, twee keer tien minuten, ook in stilte. Da’s veel voor beginners. Ik vond het veel, drie jaar geleden. En heb het daarna veel beginners veel zien en horen vinden. Pijn, in rug en benen. En ‘tjonge, wat een drukte in mijn hoofd als ik stil zit’.

Ha. Opeens, in een groepje mensen met een net zo structureel vol hoofd als ik, stemt dat mij vrolijk. Want zij ervaren het heel anders, die tien minuten in stilte. ‘Wat heerlijk rustig, die stilte. Even niets. Zelfs geen muziek. Doe mij er maar meer van.’

Dank je Zeven, dat je me hielp herinneren.

En dank je Petra Meulenberg, dat je mijn stok achter de deur was.

Nadeel van de twijfel

oor-168x300Zit met een stom dilemma. Volgende week maandag heb ik opnieuw een afspraak bij PsyQ. Zelfgemaakt. Niet dat ik er speciaal de telefoon voor heb gepakt, maar het werd me aangeboden toen ik daar toch was, voor de uitkomst van het diagnose-onderzoek. Doorgaans is een diagnose namelijk het begin van wat men daar ‘een behandeling’ noemt. Ik heb weinig behoefte aan ‘een behandeling’ en al helemaal niet door de mensen van PsyQ. Maar ik was er nu toch. En het is gratis. En ‘zo doen ze dat daar nu eenmaal’. En hij, de jonge grote mijnheer met wie ik ook het onderzoeksgesprek had, bood het zo vriendelijk aan. En ik ben nieuwsgierig, zowel privé als professioneel. En ik kan mijn vinger er niet helemaal opleggen waarom ik het dan niet, alleen al om dat laatste, die beroepsmatige nieuwsgierigheid, gewoon moet laten doorgaan.

Waarschijnlijk laat ik het inderdaad doorgaan. Het dilemma is namelijk dat ik het lullig vind om de afspraak af te zeggen. Te meer omdat dat niet direct via meneer kan, maar via de receptie moet (aan direct contact tussen ‘patiënt’ (huh, ben ik ziek dan?) en ‘behandelaar’ kunnen zij niet beginnen, is me verzekerd). Vreemd hè, dat ik het lullig vind. Ben ik iemand iets verschuldigd?

Misschien wil ik hem een kans geven. Al is het maar een kans om te leren. Bijvoorbeeld de lessen die Chief Listening Officer Corine Jansen, die ik vandaag interviewde voor Zorg+Welzijn, me in herinnering bracht. Jansens functie werd vijfenhalf jaar geleden in het leven geroepen door het Radboud UMC, met als doel om uit te vinden waar patiënten werkelijk behoefte aan hebben. Het middel: luisteren. Iets dat volgens haar een basisvaardigheid moet zijn voor iedereen die in de zorg werkt, maar dat klaarblijkelijk niet is. ‘Zodra mensen het idee krijgen dat de dokter, hulpverlener of wie het ook is aan wie zij hun verhaal vertellen, zijn oordeel al bij voorbaat klaar heeft, zullen zij hem niet in vertrouwen nemen.’ Ik heb in totaal bijna drie uur met de PsyQ-man aan tafel gezeten en heb het gevoel dat hij vooral gecheckt heeft of ik in het plaatje pas. Mijn vastberadenheid om, zolang ik merk dat ik ook zonder vooruit ga, geen medicijnen te gebruiken, neemt hij niet bepaald serieus. ‘Zo gaat het onderzoek nu eenmaal’, zei hij toen ik, in het gesprek rond de diagnose, vertelde dat ik me na het eerste gesprek vooral down had gevoeld, door het oprakelen van narigheden uit het verleden. ‘Aan behandelen ben ik nog niet begonnen. Dat wordt veel minder vervelend, kan zelfs leuk worden.’ Kweenie.

Wat ben ik blij dat ik een nieuwe zorgverzekering heb, eentje die coaching door het ADHD-centrum grotendeels vergoedt. Of ik de PsyQ-er nu een kans geef of niet, mijn eigen ontwikkeling is me meer waard dan de zijne. Ik wed dus niet op één paard. Vanmiddag, vlak voordat ik aanbelde bij de professionele luisteraar, heb ik een afspraak gemaakt met mijn nieuwe coach. Ken ik nog niet. Maar als ik een ding zeker weet, is dat zij niet zal zeggen dat medicijnen de enige èchte oplossing zijn. Eén nul voor haar. En dan heb ik haar nog nauwelijks kans gegeven om naar me te luisteren.

Stok achter de deur van vandaag: Laura van Mourik. Dank je Laura!

Gecertificeerd

felicitatieschermGelukkig kwamen de felicitaties snel. Van Erwin, direct na thuiskomst aan de telefoon. En de volgende dag van ‘collega’s’ bij flexnetwerkplek de Hub, juist voor mijn binnenkomst door Erwin ingelicht toen één van hen mopperde waar ik, een half uur na de afgesproken tijd, toch bleef. ‘Gefeliciteerd’, straalde Joost, ‘je bent gecertificeerd.’ ‘Gecertificeerd tot hopeloos geval’? vroeg Amelie. ‘Gecertificeerd, ja, dat ben ik. Hopeloos, nou nee.’ Ik had de afspraak nu eenmaal voor een uur later in mijn hoofd staan. Nu pas zag ik dat in mijn agenda iets anders stond. Vervelend, lastig, onprofessioneel. Maar hopeloos?

Meer felicitaties las ik gisteren, op Facebook. ‘Klinkt misschien stom, een felicitatie bij een diagnose… Maar weten wat je mankeert en daarmee aan de slag gaan geeft je rust en opent nieuwe deuren’, schrijft Nicole, die, zonder ADHD zo donders goed weet waar ze het over heeft dat ik me tot voor zeer kort (zie: ‘Ik schaam me’, gevolgd door ‘Iets raars’) naast haar een aansteller zou voelen. Marco schrijft: ‘Nu heb je een stempel maar ga je je er blijkbaar niet aan houden!’ Aardig bedoeld, waarvoor dank, maar hij vergist zich.

AD(H)D is niet een stempel waar je wel of niet aan houden kunt. Mijn tweede morning after bracht ik door met het lezen van blogs en Facebookberichten van andere ‘gecertificeerden.’ ‘Heb je dat ook, dat het bijna nooit lukt om thee te zetten, omdat je vergeet dat je het water opgezet hebt, en dat àls het lukt, de thee al koud is voor je eraan denkt om hem op te drinken?’ ‘Zonder een lijstje krijg ik niets voor elkaar.’ Met foto en reactie: ‘Wat een net lijstje! Krijg ik niet voor elkaar. Ik blijf maar strepen en opnieuw beginnen, word er gek van.’ ‘Heb ik eindelijk vakantie, kan ik precies doen waar ik zin in heb, weet ik niet waar ik beginnen moet.’ Veel HOOFDLETTERS en !!!!!!!!!!!!!!!! en ????????????? in de berichtjes. Grappig, tuurlijk, fijn ook, de (h)erkenning. Maar niemand van ‘ons’ die het niet liever anders zou zien.

‘s Avonds zouden we met mede-cursisten van Effectief met AD(H)D bij elkaar komen voor intervisie. Van de zeven groepsgenoten hadden er drie ruim van tevoren aangegeven er niet bij te kunnen zijn, twee anderen, onder wie ik zelf, twijfelden. Nummer vier was het vergeten, nummer vijf ging er op de een of andere manier vanuit dat het niet doorging, nummer zes bleek, desgevraagd, die dag verhinderd en nummer zeven stuurde in de vroege ochtend de vraag de groep in waar we zouden afspreken. Het werd een één-op-één, met pide en soep – niet te ver buiten ons beperkte budget, toch gezellig.

Het gaat goed met ‘Zeven’, het subgroeplid in wie ik me het meest herken. Sinds het laatste cursusblok, een kleine maand geleden, richtte zij eindelijk het koor op waar ze al jaren van droomde, trad toe tot een bestuur en doorbrak vanuit die rol een jarenlang voortslepende impasse waar ze zich tot dan toe vooral aan had geërgerd en koos vaker dan ooit voor zichzelf, zelfs in bijzijn van haar hulpbehoevende moeder. De afgelopen week was dat laatste minder goed gelukt. Vier dagen achtereen had haar moeder een beroep op Zeven gedaan, vier keer had ze haar eigen bezigheden aan de kant geschoven en was ze pas laat thuis. Eergisteravond was het negen uur geworden – viel mee. Dus kon ze alsnog wat dingen doen die ze overdag had willen doen. En opeens was het zeven uur ‘s ochtends. ‘Ik heb één uur geslapen vanochtend. Ik ben dus niet zo fit. Maar al drie mensen om me heen hebben me gevraagd wat voor cursus het toch is die ik doe. Wat een stappen opeens, dat zouden zij ook wel willen!’

‘Zeven’ is geen roekeloze puber, geen bewijszuchtige dertiger op het drukke kruispunt van het leven, maar een rustige alleenstaande vrouw van halverwege de vijftig. Ik dacht aan haar toen om kwart voor zeven uur vanochtend mijn wekker ging en ik zo ontdekte dat ik, na een nacht woelen, schrijven, eten, kruidentheeën, wachten, website-naampresentatie bedenken, toch nog in slaap was gevallen. Een volle dag achter de computer, met Erwin en dus gesprekken in mijn pauzes waar ik dan juist stilte nodig heb, was wat teveel geworden voor deze gecertificeerde veertigster, een afsluitend uur zen ten spijt. Dat mag ik nu zomaar toegeven. Gefeliciteerd.

Stok achter de deur van vandaag:  Ton Hendricks in Argentinië. Muchas gracias Ton!

Erkenningsroes

brainstormpapierNu mag het. Ik mag 2015 nu al met een gerust hart een ADD-jaar noemen. Mijn ADD-jaar, mijn eerste echte en officiële. De uitkomsten van het PsyQ-onderzoek, vandaag bekend gemaakt, laten niets aan duidelijkheid te wensen over: een score van 9 op 9 van de bijbehorende symptomen op het gebied aandacht en concentratie in mijn volwassenheid en een score van 5 op 9 in diezelfde categorie in mijn kindertijd, met als kanttekening dat over die tijd helaas de nodige informatie ontbreekt. Op het gebied hyperactiviteit en impulsiviteit scoor ik niet (0 op 9, voor zover vast te stellen, in mijn kindertijd) of nauwelijks (1 op 9 in mijn volwassenheid). Doet niets af aan de ernst van mijn zaak. De diagnose luidt: ADHD Overwegend onoplettende type, ‘in de volksmond’, zo zei dezelfde grote meneer van ‘toen’ er achteraan, ‘ook wel ADD genoemd.’

Ik was hijgend en zwetend, van een snelle en ‘natuurlijk’ niet geheel recht-van-A-naar-B verlopen fietstocht, ruim een kwartier te laat op mijn afspraak aangekomen. ‘Dat zullen jullie vaker meemaken’, glimlachte ik bij binnenkomst. De ‘dokter’ en zijn collega – door de zorgverzekering verplicht bij de diagnosestelling aanwezig- gaven geen krimp. O ja, da’s waar, zij zijn niet ‘zo’. Ik miste het feest der herkenning van het ADHD-centrum, waar ook de coaches verdacht veel ADHD-trekjes vertonen en bijeenkomsten meer dan eens later beginnen omdat lang niet iedereen op tijd binnen is.  Een felicitatie was er dus niet. Alleen de, met mild-bezorgde blik gestelde vraag ‘Wat vind je ervan?’

Ik vind er meer van dan ik had verwacht. Verrast ben ik niet, al is 9 op 9 wel errug veel en meen ik zeker te weten dat ik als kind veel en veel en veel afweziger was dan nu. Opluchting voel ik, blijdschap over de erkenning, een zekere mate van triomf zelfs. Realiseer me nu dat ik, sinds dag één van deze blog, bang was voor straf. Straf, omdat ik over AD(H)D schrijf zonder ècht te weten waar het over gaat. Haha, lach ik nu in mijn vuistje, dat weet ik dus wel. En er valt best mee te leven, dat weet ik ook. Ook zonder medicatie. Al waren meneer en mevrouw er duidelijk over dat ik alleen daarmee ècht iets aan mijn concentratieproblemen kan doen. Deed het zojuist voor het eerst, lachen in mijn vuistje, nu doe ik gelijk maar voor de tweede keer.

Met dat leven zonder medicatie ga ik dus vrolijk door. Extra vrolijk omdat er meer Anke-met-ADD-nieuws op komst is, uitkomst van een brainstormsessie die ik nog uren langer had willen laten duren -vandaar mijn gesjeeste aankomst bij PsyQ.  Iets met een nieuwe naam voor een nieuwe website/nieuwe poot van mijn bedrijf. Maar daar ga ik nog een nachtje over slapen. Laat ik die ene punt voor impulsiviteit serieus nemen. En in alle vrolijkheid niet uit het oog verliezen dat ADD maar een van de vele aspecten van mij en van mijn leven is.

Stok achter de deur van vandaag:  Hetty Oostijen. Dank je Hetty!

Hoe schrijf ik?

anke-site_23-klein-300x200Ik denk dat je er niet doorheen komt’, zei mijn moeder laatst. Ze had het over de AD(H)D-diagnose die, naar verwachting, volgende week (!) volgt op mijn intake-gesprek,  begin november (!), bij PsyQ. Voor mij is de diagnose geen halszaak – ik ben vooral blij dat ik inmiddels goede hulp heb. Verzekering- en belastingtechnisch kan een diagnose handig zijn. Maar gezien het verloop van het intakegesprek hecht ik er inhoudelijk weinig waarde aan.

‘Huh?’ ‘Bij Psy-dinges, waar we dat onderzoek hadden. Ik denk dat ze je afwijzen (!). Je kunt veel te goed verwoorden wat je hebt.’

Dank mama, voor dit kunstig verpakte compliment. Mijn schrijven roept twijfels op over mijn moeilijke verhouding tot prikkels. Mijn moeder is niet de eerste die dat zegt. Dus nog maar eens mijn stokpaard: dat ik beter schrijf dan vertel, is volgens mij niet ondanks maar dankzij mijn (vermoedelijke) ADD. Schrijven geeft me tijd om over mijn woorden na te denken, dwingt me om bewust te kiezen wat ik hoe vertel en doet me  goed. Daarmee is schrijven, in de termen van het ADHD-centrum, voor mij een belangrijke hulpbron geworden. En nu bedacht ik, naar aanleiding van herinneringen aan mijn vader in zijn jongere jaren, dat ik vaker het isolement van mijn werkkamer, nodig om te kunnen schrijven, wil verlaten. Dat ik een socialer werkleven wil. Ik ontdekte ik dit jaar bovendien dat ik er heel blij van word als ik anderen enthousiast weet te maken over wat ik zelf graag doe, zoals schrijven en mediteren. Eén plus één is twee: ik wil de lessen die ik, worstelend met pen en papier, geleerd heb, overdragen aan anderen die vaak moeite hebben om het hoofd erbij te houden.

Mijn eerste stap zette ik een paar maanden geleden. Een tekstschrijfster die ‘toevallig’ mijn pad kruiste, Manon Kleijn, vertelde ik over mijn plannen. Zij enthousiast. Manon geeft vaak schrijftrainingen aan mensen die vanwege hun functie geacht worden te kunnen schrijven (beleidsmensen, bijvoorbeeld) maar daar juist moeite mee hebben. Ze merkt dat veel lesmethoden ervan uit gaan dat ieder brein min of meer op dezelfde manier met informatie omgaat. En dat leren schrijven dus een kwestie is van een methode leren en die toepassen. Nou, lang niet altijd dus. Manon wil inzicht krijgen in hoe verschillende breinen verschillend denken en daar in haar lessen op inspelen. Ik wil vooral het plezier overbrengen dat schrijven mij brengt. Ter voorbereiding op workshop die we nu samen ontwikkelen, stelde Manon voor dat ik in kaart breng hoe ik schrijf.

Nou, gewoon, zo.

Dat klinkt simpel. Dat is het en dat is het niet. Bewijst de totstandkoming van deze blog. Soms schud ik hem in no-time uit mijn mouw, vandaag kost het me uren. Dat ligt niet aan het onderwerp. Dat ligt eraan dat ik begon aan het eind van de dag, toen ik bij de Hub was en dacht: ‘Ik wil naar huis. Maar mijn blog moet nog. Laat ik even doorbijten, dan heb ik tenminste nog wat aan mijn avond.’ Terwijl ik nauwelijks wist waarover ik zou schrijven.

Gisteren schreef ik wel ‘vanzelf’. Net toen ik bijna besloten had dat het een onmogelijke vraag was, beschrijven hoe ik schrijf, ging ik zitten en schreef wat er kwam. Zie hier het begin van mijn antwoord: schrijven lukt me het beste als ik ‘vrij schrijf’, oftewel, als ik schrijf zonder mezelf een doel en beperkingen op te leggen. Mijn gedachten volgend, zelfs als die ‘stom’ zijn of over onbenullige of gênante zaken gaan. Dus vooral niet bezig ben met dat het zinnig moet zijn wat er komt. Juist dan komen, als het moment daar is, de zinnigste zinnen.

Vandaag moest het gelijk goed zijn. En snel een beetje. Soms lukt dat. Mits, les twee, ik mijn verhaal goed heb voorbereid. Met lezen, interviews (mits ik ook die goed voorbereid heb), nadenken over het hoe en waarom van het verhaal, het ordenen van de informatie. En, minder bewust maar niet minder belangrijk, door de informatie te laten ‘gisten’, zoals free-writing-goeroe Natalie Goldberg het noemt, tot me door laat dringen, af en toe in mijn gedachten op laat borrelen, er misschien een aantekening over te maken en verder juist te laten begaan. En door iets dat ik lang onderschat heb en wat, lang leve ADD, eeuwig zoeken naar balans hoezee, mij verreweg de meeste moeite kost: ervoor zorgen dat ik fit en gefocust ben, zowel tijdens het verzamelen van de informatie als tijdens het schrijven.

Schrijven als ik moe ben en vooral uitkijk naar wat ik erna komt, dat werkt niet.

Dus ging ik naar huis. Deels wandelend, langs het water, door de kou. At. Hakte een knoop door die me, weet ik nu, in de weg zat tijdens mijn eerdere schrijven vandaag. Daarna ging ik zitten en schreef wat er te schrijven was.

Stok achter de deur van vandaag: Marlijn Wesseling. Dank je Marlijn!

In het psycho-medisch centrum

bij-de-psycholoog‘Lukt het je niet om het huishouden te doen, wat je ook probeert, of vind je het gewoon niet belangrijk?’ De psycholoog, vrij groot, grote zwarte bril ook, spijkerbroek, springerig kort haar, minstens enkele jaren jonger dan ik, kijkt me vriendelijk aan. Erwin en mijn moeder zitten naast me, ook hun blikken op mij gericht. Wat zal ze zeggen?

‘Ik vind het tegenwoordig fijn als het opgeruimd is, anders voel ik me onrustig. En ik wil niet dat het smerig wordt. Maar als het erop aankomt, dan gaat mijn werk voor. Na het schrijven en regelen, mijn mails. Daarna misschien een afwasje of boodschappen.  Maar nee, inderdaad, ik vind het huishouden niet zo belangrijk.’ Nee, natuurlijk niet, denk ik later, vriendschappen onderhouden is belangrijker. Maar daar besteed ik nòg minder tijd en energie aan, verdomme.

‘Dat hoeft helemaal niet erg te zijn’, zegt de psycholoog, met dezelfde vriendelijke glimlach. ‘Het klinkt misschien raar als ik dat zeg, maar ik meen het.’ Een nadere verklaring kan ik me niet herinneren. Hoezo dan, raar?

Er is meer niet raar, volgens de man die met zijn collega’s zal beoordelen of ik ADD heb. Dat mijn moeder zich vooral herinnert dat ik een makkelijk en avontuurlijk kind was en niets van waar we hier voor komen. Zette ze me in de box, dan pruttelde ik even, maar richtte mijn aandacht al snel op iets anders, het volgende speeltje. Problemen op school, problemen om me te concentreren, opmerkingen, snel afgeleid zijn? ‘Nee, niet dat ik weet. Raar hè, daar kan ik me niets van herinneren.’ ‘Het is toch ook heel lang geleden, mevrouw?’ Maar om een goede diagnose te kunnen stellen, is informatie over mijn jongste jaren belangrijk.

Ik probeer me open te stellen, zoals aangekondigd. Hoe blij ik ook ben met de cursus bij het ADHD-centrum en hoe verbaasd ik ook was over de vanzelfsprekendheid waarmee mijn huisarts en eerdere psycholoog me op medicijnen wezen.  Ik beeld me in dat ik onlangs voor het eerst hulp gezocht heb. Dat ik gek word van chaos in mijn hoofd en dat ik in deze twee mensen eindelijk, eindelijk, eindelijk hulp denk te hebben gevonden.

Bij het handjesschudden vergis ik me in mijn rol. Ik ben nu niet de journalist die deze jonge, ietwat zenuwachtige, ‘zorgprofessionals’ komt interviewen en met luchtige opmerkingen geruststelt, nee, ik ben De Patiënt, die vast zenuwachtig is en gerustgesteld moet worden. ‘U heeft het koffie-automaat al gevonden, zie ik? Dat is goed hoor!’ In de drie uur die volgen onderdruk ik de neiging om mijn gesprekspartners enige basiskennis over het interviewen bij te brengen (‘Vraag altijd door!’, ‘Heeft iemand moeite om een vraag te beantwoorden, kom er dan later op terug!’, ‘Werk niet al te nadrukkelijk een vragenlijst af!’). En verzet ik mij niet tegen het nadrukkelijke zoeken naar Problemen – ik ben in een psycho-medisch centrum, zoals ik het op de uitnodiging genoemd zie worden en daar is ‘ziektebeeld’ nu eenmaal het uitgangspunt. Het is de gangbare benadering, ergens zal het goed voor zijn.

Nee, ik ben niet vreselijk impulsief, antwoorden we alledrie. Ja, er zijn burn-outs geweest. Hoe die eruit zagen? Nou, rot. Opstaan, ontbijten en vervolgens op de bank ploffen om bij te komen. Dit voorbeeld dateert wel al van veertien jaar geleden hoor, zo extreem is het daarna nooit meer geweest. Ja, ook in mijn kindertijd gebeurden er rare dingen. Met de bus naar school en na aankomst meteen in de bus terug stappen, ‘buikpijn.’ Had ik de ziekte van Pfeiffer, zoals de huisarts destijds suggereerde, was ik ziekelijk verlegen, of was er iets anders aan de hand? Dus financiën zijn vaak een probleem? En hoe zit het met seksualiteit?

Ik probeerde me open te stellen. Tot mijn opluchting, heb ik geen witte jassen gezien, zijn er geen elektriciteitsdraden aan mijn hoofd bevestigd, is er geen hersenscan gemaakt en mijn verklaring in het begin – dat kon ik niet laten – dat ik geen zin heb ik medicijnen, namen psycholoog en stagiaire vriendelijk ter kennisneming aan.

Wat was er, zoals verwacht, veel aandacht voor Problemen. Rottigheid als kind, crises als volwassene, potentiële crises tussen Erwin en mij. Niets waar ik nog nooit, met geen enkele hulpverlener of coach of met Erwin over gepraat heb, niets waar ik niet al dagboeken over vol schreef, niets dat ‘ik nog een plaatsje moet geven.’ Ik stelde me open, echt. Misschien hebben ze me iets te bieden, bij PsyQ. Ik wacht de uitslag en een volgend adviesgesprek af. Maar ik vrees dat ik last heb van ‘positieve bubbels’, zoals we dat op de zenschool noemen, positieve ervaringen die je ervan weerhouden om je werkelijk open te stellen voor iets vergelijkbaar-maar-nieuws. Na het eerste onderzoeksuur had ik een brok in mijn keel – door het oprakelen van ervaringen, in combinatie met de vriendelijke doch zorgelijke blikken die deze bij mijn gesprekspartners opriepen. Ook op dag één van de opleiding Effectief met ADHD had ik een brok in mijn keel, in het zoetzure feest der herkenning. Het is me niet gelukt, me helemaal open op te stellen. Doe mij die zoetzure brok maar.