Tagarchief: burn-out

Maak het je gemakkelijk

Wie chaotisch is, moet het zich zo gemakkelijk mogelijk maken. Ik geloof dat dat de eerste les was in het eerste boek dat ik ooit las over ADD en ADHD, Aandacht een kopzorg ‘van Kathleen Nadeau. Ik had het te leen gekregen van een psychologe die me bijstond in de nasleep van mijn eerste officiële burn-out, nu vijftien jaar geleden.  Het was een van de eerste boeken over AD(H)D bij volwassenen, een fenomeen dat toen pas net min of meer erkend begon te worden.

Makkelijk gezegd’, dacht ik over die en alle andere tips, variërend van ‘gebruik je agenda’, ‘maak aan het eind van de dag alvast een to-do-lijstje voor de volgende’, ‘plan ook je vrije tijd, inclusief quality time met je partner’ en, de tip waar ik het meest van verwachtte, ‘zoek een goede coach.’ Toch spelde ik het boek meerdere malen, en onderstreepte vrijwel alles.

Van het eerstvolgende consult na het lezen, herinner ik me vooral dat ik slaperig en zenuwachtig was. Toen de psychologe me vroeg of er iets in het boek stond waar ik verder mee wilde, kon ik geen woord uitbrengen. Een maand later vertrok ik, geheel volgens plan, voor onbepaalde tijd naar Argentinië. Blij met het feest der herkenning en erkenning dat ik in het boekje vond. Maar mijn kopzorg werkelijk aan te gaan, was duidelijk nog een stap te ver.  Bovendien klonken de tips mij nogal onrealistisch in de oren.

Inmiddels gaat het me beter af. Ik was gisteren van plan een blog te schrijven over hoe het werkt om te schrijven als je ADD hebt.  Of in ieder geval, hoe dat bij mij werkt. Ter toelichting op en reclame voor, mijn workshops Schrijven met Aandacht. Ter voorbereiding loop ik loop al mijn blogs met de tag ‘schrijven’ door en her-ontdek de blog Hoe schrijf  ik? Hmmm, als ik die nou gewoon redigeer, inkort, een paar linkjes en een andere kop toevoeg en nog eens publiceer? Ik schrok van de gedachte. Kan ik me er echt zo makkelijk vanaf maken?

Ik deed het. Op LinkedIn. Was voor mijn gevoel al anderhalve week fulltime bezig met het organisatorische deel daarvan en toch vind ik het maar niet opschieten. Zodra ik kan wil ik een assistent die het me klussen als deze ontneemt. Als je chaotisch bent, moet je het jezelf zo gemakkelijk maken.

anke-site_23-klein-300x200Hier het resultaat van gisteren. En wat je nu leest, is hoe ik het vandaag toch nog ‘goed maakte.’ Een korte intro en vervolgens een geredigeerde blog in herhaling, dat kàn niet goed genoeg zijn.

Uit de kast, met pretoogjes

De eerste Add&Anke-informatiekraam, bijna klaar voor de start, Bewust Gezond | Open dag aanvullende zorg, 21 maart 2015

Weer een mijlpaal achter de rug. Veilig achter de computer mijn blog bijhouden is één ding, erover vertellen in relatief veilige besloten kring al iets anders maar helemaal in het openbaar, ook aan ‘toevallige voorbijgangers’  weer een stap verder. Ik deed het zaterdag, op de Open Dag voor Aanvullende zorg en welzijn bij – dat dan weer wel lekker vertrouwd en veilig – Impact Hub Rotterdam. Met Erwin van Win-trainingen (ook fijn en veilig) deelde ik een informatiekraam. De nacht ervoor had ik nog flyers gemaakt, voor zowel  de Knipperende Kursor-workshop als mijn Zen-kennismaking -voor-wie-zich-herkent-in-AD(H)D-kenmerken-activiteiten. En de laatste hand gelegd aan de twee miniworkshops die ik zou geven.

Moe was ik dus en er af en toe niet helemaal bij.  Paste mooi in het plaatje.  Jammerder was, dat er niet veel bezoekers waren – degene die persberichten had zullen versturen was tot haar schaamte ondergedompeld in familiezorgcrisisstress+add-kop-in-het-zand-want- ik-zou-het-toch-moeten-kunnen-en-ik-kan-het-niet-maken-om-nu-nog-te-zeggen-dat-het-nìet-lukt-verschijnselen en deed dat dus pas enkele dagen voor deze grote. Workshop 1, Knipperende Kursor Kompact ging daarom helaas niet door.

Toch voelde de dag als overwinning. De beschrijvingen van hoe Add  mijn schrijven en leven beïnvloedt roepen veel herkenning op en zorgden voor bijzondere gesprekken en nog meer herkenning. ‘Hihi, ik ben altijd aan het schrijven, maar het komt nooit af.  En mijn dochter is nog erger. ‘ ‘Tja, zo’n dag, daar gaat toch altijd nachtwerk aan vooraf?’, ‘en toen gebeurde er iets naars en toen werden zijn ADHD-klachten veel erger dan ze al waren.’ Schrik ook, helaas vaak van herkenning, bij het horen van mijn constatering dat van de zeg veertig mensen met AD(H)D die ik inmiddels ken ik er geen weet die nooit minstens tegen een burnout aan gezeten heeft of op een andere manier is ‘ontspoord.’  Ook de vraag, mij vaker gesteld: ‘Heb je er geen moeite mee om zo’n labetje te krijgen?’ Nee, heb ik niet. Voor mij betekende de ‘ontdekking’ dat ik ADD heb, dat ik eindelijk wist ‘waar ik het zoeken moest.’ Dat ik inderdaad moest zoeken naar de juiste begeleiding, dat ik erg geschrokken ben van het aanbod van de reguliere zorg (en de ervaringen van mede-AD(H)D-ers daarmee) maar dat ik zelf bepaal, al zoekende, wat dat ‘labeltje’ voor mij betekent.

Opluchting zag ik ook.  ‘Dus het lukt jou wel om te schrijven!’ en ‘wat  goed, dat je kijkt wat je zonder medicijnen zelf allemaal kan doen.’ En heel veel pretoogjes. Ook bij mij.  Openlijk vertellen over waar ik niet goed, of minstens ‘best onhandig’ in ben, geeft lucht. Aan mij, maar ook aan degene die het horen wil. Nooit voordat ik met deze blog begon,  hebben mensen mij zo vaak hun eigen onhandigheden opgebiecht. Zaterdag meer nog dan in de afgelopen weken. Met betekenisvolle glimlach èn pretoogjes.

Natuurlijk was ik ‘s avonds uitgeput, van achterstallige slaap en losgelaten spanning. Maar het ‘Waarom laat ik het toch steeds weer zo ver komen?’ van de afgelopen weken was zowaar even weg. Ik sliep heerlijk. En werd wakker met pretoogjes.

Te goed of Kop in het zand

IMG_3682
Houd ik daarom zo van duinen, zee en strand?

Hij twijfelde even voordat hij het zei, de psycholoog die begin vorig jaar suggereerde dat ik ADD heb. Gaf dat ook toe. Maar hij zei het:  ‘Een minderwaardigheidscomplex gaat vaak gepaard met een meerderwaardigheidscomplex.’ Of woorden van gelijke strekking.  De context: een belangrijke aanleiding voor mij om naar hem toe te stappen, was dat ik er maar niet toe kwam om werk te maken van mijn vele ambitieuze plannen en ideeën, ondertussen nauwelijks inkomsten binnenhaalde maar ook niet achter ander werk aanging. Voor wat ik wil voel ik me te min, voor wat ik moet voel ik me te goed. Zoiets dus, was zijn idee.

Het hakte erin. Ik, die pretendeer mensen die niet of nauwelijks gehoord worden een stem te geven, voel me te goed om mijn handen uit de mouwen te steken? De stelling bleef en blijft me achtervolgen. Het bracht me ertoe om postbezorger worden. Drie dagen van drie uur per week, veel beweging, buitenlucht en nog een basisinkomenpje ook, ideaal toch? Niet dus, en dat wist ik van tevoren: tussen elke activiteit heb ik, typisch AD(H)D, veel tussentijd nodig. Drie keer drie uur kwam daarmee neer op drie werkdagen die ik niet of nauwelijks aan mijn journalistieke werk besteedde. Negen maanden lang kwam ik nauwelijks boven dat basisinkomenpje uit. En maar blijven proberen. Want ik moest het toch kunnen. Ik wilde vooral niet dat Ze zouden denken dat ik me te goed er te goed voor voelde.

Hoe goed ik ook weet hoezeer ik de afgelopen weken in beslag genomen werd door ouderlijke zorgcrisis, ADD-activiteiten, een opleiding en enkele journalistieke klussen en hoezeer ik ook burnout-naderende symptomen herkende, hoor ik het de psycholoog weer zeggen, ‘Een minderwaardigheidscomplex gaat vaak gepaard met een meerderwaardigheidscomplex.’ Nu ik weer min of meer uitgerust ben en de draad voor de zoveelste keer opnieuw oppak, zie ik voor welke klussen ik tijdens de crisis tijd en ruimte heb weten te maken, en voor welke niet. En wanneer ik ‘gewoon’ tegen degenen die op me wachtten toegaf dat het niet lukte  en nieuwe afspraken maakte… en wanneer niet. Tot mijn verbazing – heb ik die lessen nu nòg niet geleerd – heb ik hier en daar mijn kop diep in het zand gestoken. Mails onbeantwoord gelaten, toezeggingen zonder opgaaf van reden niet nagekomen, gedaan alsof mijn neus bloedt.

Er zijn tijden geweest dat dat voor mij min of meer normaal was en voor mezelf wist goed te praten (‘Hoe kunnen Ze in godsnaam verwachten dat ik dat allemaal voor elkaar krijg, ik vertik het om weer nachten door te werken, dat Zij dat zo nodig willen doen moeten Zij Dat Zelf weten, en Zo Belangrijk Is Het Allemaal Toch Ook Weer Niet, waar maken ze zich toch druk om?’) Nu baal ik. Als ik iemand iets te verwijten heb, dan ben ik het toch echt zelf. Dat doe ik, mindfulness-getrouw, op vriendelijke en nieuwsgierige wijze. Waarom hield ik me groot? Waarom zei ik niet eerder dat iets niet ging lukken? Waarom ging ik überhaupt verplichtingen aan die me afhouden van òf in mijn levensonderhoud voorzien òf de dingen die ik echt wil – deze blog, mijn aanverwante ADD-ervaringsdeskundigheidsactiviteiten, bepaalde journalistieke verhalen – terwijl ik weet dat het me zoveel moeite kost om op mijn pad te blijven, overeind te blijven soms zelfs?

Kiezen, dat zal ik nog bewuster moeten doen. En toegeven, allereerst aan mezelf, dat ik niet alles kan. Laat ik dat nu net verschrikkelijk moeilijk vinden. Misschien juist wel omdat ik niet wil dat mensen denken dat ik me ergens te goed voor voel of juist dat ik het nooit zal kunnen. Iets zegt me dat ik desondanks op de goede weg ben.

Kut-add en Met trots presenteer ik

Eigenlijk wil ik nu helemaal niet bloggen. Staat het me tegen zelfs. Kut-blog. Kut-add. Maar ik doe het toch. Omdat hoe ik me nu voel, op dit moment en talloze momenten in de afgelopen twee dagen, nou precies zijn waarom ik bloggend en anderszins probeer grip te krijgen op die kut-add. Of wat het ook is. Op die kut-patronen die me in de weg zitten.

Zoals ik me nu voel, dat is moe. Gespannen. Koppijn. En erger: ‘Zie je wel. Ik kan het niet en ik zal het nooit kunnen.’ De crisis zit inmiddels in mijn lijf. En die crisis, bestaat niet vooral uit gekmakende zorgen om de gezondheid van mijn ouders, al is dat wel een van de triggers. De crisis bestaat uit ergernis. Ergernis over verschillen in inzicht over wat er Nu gebeuren moet, met mijn moeder. Maar méér nog: ergernis over dat ik meer werk heb toegezegd dan ik aankan. In tijden van deze ouderlijke crisis. Maar waarschijnlijk was het ook zonder die ouderlijke crisis teveel geweest. Teveel werk voor te weinig geld, ook dat nog. Werk waarvan ik dacht en zei en uitstraalde en geloofde: ‘Ja, geweldig, leuk, dit wil ik doen en dit ga ik doen.’ Voor de goede zaak. Omdat ik het belangrijk vind. En leuk. En prima kan combineren met mijn ‘eigenlijke werk’ – het journalistieke schrijven, mijn Add-activiteiten en, sinds heel kort, de (voorbereidingen op) mijn opleiding tot Mindfulnesscoach. Ga ik doen, vanaf volgende week, om wat theoretische en praktische basis te geven aan de workshops waarmee ik mijn Add-ervaringsdeskundigheid wil overbrengen.

Klinkt als best veel hè.

Zo voelt het ook. Spanning op de borst, hoofdpijn, opgejaagd. Ik herken de symptomen van de burn-outs die ik gehad heb. Een gevoel van verlamming, omdat ik, bij alles waar ik aan begin, het gevoel heb dat het toch niet gaat lukken. Wat daarmee dus ook de waarheid wordt. En daarmee gepaard gaande: schaamte. Ze zien me aankomen. Ze zullen wel denken: Ze  kan het niet. En dat is tot op zekere hoogte nog terecht ook.

En dit had nog wel een grote dag  moeten worden. Ik reis dadelijk af naar het Congres ADHD Vrouw. Prachtig eerste initiatief van een groep vrouwen met ADHD, waar ik al maanden naar uitkijk. Uit nieuwsgierigheid. Zin in feest der herkenning. Maar ook omdat ik dat congres zag als eerste stappen als Add-ervaringsdeskundige journalist in Het Wereldje. Aanleiding voor mijn eerste grote ADHD-gerelateerde artikel(en) in Gerenommeerde Kranten en Tijdschriften. Misschien zelfs mijn eerste publieke optreden. Met de voordracht van een column, op basis van mijn blogs en de reacties daarop.

Niets van dat alles. Nog niet van gekomen. Site was nog niet klaar. Ik was nog niet klaar. En ook miscommunicatie met de organisatie speelde een rol. Te druk. Met  overleven, zo voelt het.

Toch ga ik. En presenteer ik hier en nu en bij dezen, veel ingetogener dan ooit bedacht, met gemengde gevoelens omdat hij nog lang en lang en lang niet af is, nog niet mooi genoeg enzovoort enzovoort enzovoort….. maar wel klaar voor gebruik met ingang van mijn eerstvolgende blog, mijn nieuwe site, annex nieuwe tak van mijn bedrijf: Add&Anke

Voorbij de siësta

Ik ben hem de hele week blijven voelen, die vermomde onwennigheid. Ben ik bezig, dan bonkt, trilt en duwt mijn lichaam ergens op de achtergrond. Zit ik stil, dan doet het dat allemaal prominent. Soms zijn tranen dichtbij, soms juist blijdschap, verwondering en ongekende kracht. En gisteren overviel mij, uit het bijna niets, een enorme vermoeidheid.

Aanvankelijk leek het vermoeidheid ‘as usual.’ Ik had de post bezorgd. De eerste twee maanden dat ik als postbode werkte, probeerde ik na mijn postronde de dagen voort te zetten alsof ik op pad was geweest voor een interview – even een kop koffie, wat mails, een telefoontje en hup aan het schrijven. Tegen de zomer gaf ik dat op. Post-postmiddagen werden siësta-middagen, waarop ik, soms na wat leeswerk, vaak ook niet, een dutje deed. Het waren de enige drie middagen in een week dat ik fysiek moe genoeg was om me aan gebruikelijke vermoeidheid door slaapgebrek over te kunnen geven. Meestal. Dacht ik na het post bezorgen nog even een boodschapje te kunnen doen of een telefoongesprek te kunnen voeren, dan eindigde ik de middag onuitstaanbaar.

Ik wist dus dat ik gisteren siësta-behoefte zou hebben. Toen mijn postronde – voor het eerst in mijn eentje in een voor mij nieuwe wijk – één, anderhalf, twee uur langer dreigde te gaan duren dan normaal, wist ik dat die behoefte extra large zou zijn. Desondanks fietste ik, op weg naar huis, nog even langs de buurtsuper, voor benodigdheden voor een taart die ik, in het kader van ‘hulpbronnen’ en ‘wat-werkt-wel-voor-mij’, dit weekend zou bakken. Eindelijk thuis, tegen half zes, plofte ik op het logeerbed in de huiskamer, en verbeet mijn neiging om Erwin kwalijk te nemen dat ik niet alleen ongelooflijk moe was maar ook duizelig omdat ik ‘s middags te weinig had gegeten.

Na het eten, anderhalf uur later, zou ik de blog schrijven die mijn stok-achter-de-deurteam die dag van me verwachtte. Maar de siësta had niet lang genoeg geduurd. Ik zette de wekker op kwart over acht. Daarna zou ik schrijven en daarna zouden we uitgaan. Dansen, de onwennigheid vieren. Om half negen strompelde ik naar de huiskamer, leende Erwins laptop (de mijne is wegens vermiste oplader nog altijd buiten werking), kroop daarmee terug in bed, draaide me om, zette de wekker op elf uur – zodat ik, zo nodig, het laatste uur voor de deadline kon benutten – en viel in slaap. De wekker van elf uur herinner ik me vaag. Om half zeven ‘s vanochtend werd ik enigszins wakker, stond op, pakte een boek, verhuisde naar het logeerbed en viel opnieuw in slaap. Voor het eerst sinds de oprichting van het stok-achter-de-deur-team (verklaring volgt nog steeds…) zes weken geleden, miste ik mijn blogdeadline.

Na een laat ontbijt, kwam ik vanochtend tot de ontdekking dat ik een deel van de taartboodschappen was vergeten en begon ik alvast aan deze blog. Begin van de middag, de blog nog niet af, gingen we de deur uit, op kraamvisite. We bereikten baby, ouders en broertjes wegens treinpech twee uur later dan afgesproken aan,  met de ontbrekende boodschappen, dat wel. Tegen half tien waren we thuis en zette ik het schrijven voort. Het bakplan schoof ik op de lange baan.

De aanval van vermoeidheid bracht herinneringen boven aan mijn burn-out van veertien jaar geleden, en aan coach Anja’s uitleg van het autonoom zenuwstelsel. Normaal zorgt dat stelsel ervoor dat wij, mensen, een gezond evenwicht bewaren tussen inspanning en ontspanning. Mensen met AD(H)D kost dat vaak veel moeite. ‘Wij’ hebben namelijk enerzijds relatief veel prikkels nodig om in actie te komen en zoeken daarom grenzen op, met alle risico’s van dien. Anderzijds zijn ‘wij’ juist extra gevoelig voor prikkels van buitenaf en hebben ‘we’ meer behoefte aan time-outs tussen activiteiten, alleen-zijn, stilte. Een vermoeiende combinatie, die voor burn-outs en allerlei andere fysieke en geestelijke klachten kan zorgen en, begrijpelijkerwijs, voor onbegrip zorgt.

Ben er nog niet uit hoe, maar er zal een relatie zijn tussen die burn-out en mijn vermoeidheid nu. Toen stond ik mezelf voor het eerst toe om mijn werk niet voor alles te laten gaan. Nu laat ik een overtuiging varen die me misschien wel levenslang op scherp hield. Ben benieuwd hoe ik dadelijk, ver voorbij mijn nieuwste vermoeidheid, slapen zal.

In het psycho-medisch centrum

bij-de-psycholoog‘Lukt het je niet om het huishouden te doen, wat je ook probeert, of vind je het gewoon niet belangrijk?’ De psycholoog, vrij groot, grote zwarte bril ook, spijkerbroek, springerig kort haar, minstens enkele jaren jonger dan ik, kijkt me vriendelijk aan. Erwin en mijn moeder zitten naast me, ook hun blikken op mij gericht. Wat zal ze zeggen?

‘Ik vind het tegenwoordig fijn als het opgeruimd is, anders voel ik me onrustig. En ik wil niet dat het smerig wordt. Maar als het erop aankomt, dan gaat mijn werk voor. Na het schrijven en regelen, mijn mails. Daarna misschien een afwasje of boodschappen.  Maar nee, inderdaad, ik vind het huishouden niet zo belangrijk.’ Nee, natuurlijk niet, denk ik later, vriendschappen onderhouden is belangrijker. Maar daar besteed ik nòg minder tijd en energie aan, verdomme.

‘Dat hoeft helemaal niet erg te zijn’, zegt de psycholoog, met dezelfde vriendelijke glimlach. ‘Het klinkt misschien raar als ik dat zeg, maar ik meen het.’ Een nadere verklaring kan ik me niet herinneren. Hoezo dan, raar?

Er is meer niet raar, volgens de man die met zijn collega’s zal beoordelen of ik ADD heb. Dat mijn moeder zich vooral herinnert dat ik een makkelijk en avontuurlijk kind was en niets van waar we hier voor komen. Zette ze me in de box, dan pruttelde ik even, maar richtte mijn aandacht al snel op iets anders, het volgende speeltje. Problemen op school, problemen om me te concentreren, opmerkingen, snel afgeleid zijn? ‘Nee, niet dat ik weet. Raar hè, daar kan ik me niets van herinneren.’ ‘Het is toch ook heel lang geleden, mevrouw?’ Maar om een goede diagnose te kunnen stellen, is informatie over mijn jongste jaren belangrijk.

Ik probeer me open te stellen, zoals aangekondigd. Hoe blij ik ook ben met de cursus bij het ADHD-centrum en hoe verbaasd ik ook was over de vanzelfsprekendheid waarmee mijn huisarts en eerdere psycholoog me op medicijnen wezen.  Ik beeld me in dat ik onlangs voor het eerst hulp gezocht heb. Dat ik gek word van chaos in mijn hoofd en dat ik in deze twee mensen eindelijk, eindelijk, eindelijk hulp denk te hebben gevonden.

Bij het handjesschudden vergis ik me in mijn rol. Ik ben nu niet de journalist die deze jonge, ietwat zenuwachtige, ‘zorgprofessionals’ komt interviewen en met luchtige opmerkingen geruststelt, nee, ik ben De Patiënt, die vast zenuwachtig is en gerustgesteld moet worden. ‘U heeft het koffie-automaat al gevonden, zie ik? Dat is goed hoor!’ In de drie uur die volgen onderdruk ik de neiging om mijn gesprekspartners enige basiskennis over het interviewen bij te brengen (‘Vraag altijd door!’, ‘Heeft iemand moeite om een vraag te beantwoorden, kom er dan later op terug!’, ‘Werk niet al te nadrukkelijk een vragenlijst af!’). En verzet ik mij niet tegen het nadrukkelijke zoeken naar Problemen – ik ben in een psycho-medisch centrum, zoals ik het op de uitnodiging genoemd zie worden en daar is ‘ziektebeeld’ nu eenmaal het uitgangspunt. Het is de gangbare benadering, ergens zal het goed voor zijn.

Nee, ik ben niet vreselijk impulsief, antwoorden we alledrie. Ja, er zijn burn-outs geweest. Hoe die eruit zagen? Nou, rot. Opstaan, ontbijten en vervolgens op de bank ploffen om bij te komen. Dit voorbeeld dateert wel al van veertien jaar geleden hoor, zo extreem is het daarna nooit meer geweest. Ja, ook in mijn kindertijd gebeurden er rare dingen. Met de bus naar school en na aankomst meteen in de bus terug stappen, ‘buikpijn.’ Had ik de ziekte van Pfeiffer, zoals de huisarts destijds suggereerde, was ik ziekelijk verlegen, of was er iets anders aan de hand? Dus financiën zijn vaak een probleem? En hoe zit het met seksualiteit?

Ik probeerde me open te stellen. Tot mijn opluchting, heb ik geen witte jassen gezien, zijn er geen elektriciteitsdraden aan mijn hoofd bevestigd, is er geen hersenscan gemaakt en mijn verklaring in het begin – dat kon ik niet laten – dat ik geen zin heb ik medicijnen, namen psycholoog en stagiaire vriendelijk ter kennisneming aan.

Wat was er, zoals verwacht, veel aandacht voor Problemen. Rottigheid als kind, crises als volwassene, potentiële crises tussen Erwin en mij. Niets waar ik nog nooit, met geen enkele hulpverlener of coach of met Erwin over gepraat heb, niets waar ik niet al dagboeken over vol schreef, niets dat ‘ik nog een plaatsje moet geven.’ Ik stelde me open, echt. Misschien hebben ze me iets te bieden, bij PsyQ. Ik wacht de uitslag en een volgend adviesgesprek af. Maar ik vrees dat ik last heb van ‘positieve bubbels’, zoals we dat op de zenschool noemen, positieve ervaringen die je ervan weerhouden om je werkelijk open te stellen voor iets vergelijkbaar-maar-nieuws. Na het eerste onderzoeksuur had ik een brok in mijn keel – door het oprakelen van ervaringen, in combinatie met de vriendelijke doch zorgelijke blikken die deze bij mijn gesprekspartners opriepen. Ook op dag één van de opleiding Effectief met ADHD had ik een brok in mijn keel, in het zoetzure feest der herkenning. Het is me niet gelukt, me helemaal open op te stellen. Doe mij die zoetzure brok maar.

Wat de post mijn bracht

postnl_fiets_bezorger-300x170Morgen is mijn laatste vaste doordeweekse dag bij de post. Yes! Heb mijn hele contract, van een half jaar maar liefst, zonder problemen – ruzies, burn-outs of wat dies meer zij  – volbracht en zelfs met dusdanig succes dat ik mag en ook (nog wel even) wil blijven. Maar dan wel op mijn voorwaarden. Eén vaste dag per week – zaterdag -, die verwisselbaar is met een andere dag als de zaterdag me een keer niet uitkomt, en de mogelijkheid om meer uren te draaien als mijn andere, ‘eigenlijke’ werk dat toelaat. Klinkt best luxe. Is het ook, realiseer ik me, tegenover mensen die minder te kiezen hebben. Tegelijk lijkt het voor mij de enige manier om een baan vol te kunnen houden. Mijn langstdurende werknemersschap bedroeg een jaar of vier, op een oproepcontract voor nul uren per week, onderbroken door een klein jaar Spanje. Assistent-boekverkoper bij boekhandel Donner was dat, jaren negentig, naast mijn studie. Op de tweede plaats gevolgd door mijn baan als communicatie-consulent/redacteur bij Dona Daria, Kenniscentrum Emancipatie, als ik de anderhalf jaar die ik voor die organisatie freelancete voordat ik er begin 2012 een jaarcontract kreeg, meereken. Mijn fijnste werkplek ooit: inhoudelijk interessant en  vooral ook belangwekkend werk, heel lieve en bevlogen collega’s, een bijzondere inkijk in multicultureel Rotterdam. Ik mis mijn collega’s daar nog steeds. Toch was ik blij dat ik na die tweeënhalf jaar weer ‘verder kon.’ Net als na mijn tijd, in 2004-2006, bij het CIBG, een uitvoeringsclub van het ministerie van VWS. Daar leerde ik dat ‘een fijne baan’ kan draaien om ‘gezellige collega’s’ en dat de inhoud van het werk niet allesbepalend is. Een baken van rust was het, na dik anderhalf jaar freelance-correspondentschap in crisislijdend Argentinië volgend op een burn-out die minstens een jaar duurde en gevolgd door een behoorlijk zwaar verkeersongeluk.

Bij het tijdschrift Zorg+Welzijn, waar ik in 1999 een werkervaringsplaats had en in 2001 terugkeerde, was het ook fijn. En het is niet voor niets dat ik nog altijd voor dat blad schrijf. Net als dat ik al sinds 1998 schrijf voor het AD Rotterdams Dagblad en beide voorgangers, het Rotterdams Dagblad en het Algemeen Dagblad. Bij geen van beide ben ik in loondienst geweest. Misschien had ik het daar, in de hectiek van een redactie, wèl volgehouden. Zou kunnen. Hoorde laatst van een mede-ADD-ende collega dat hij ‘op de krant’ wèl en in een baan met minder pieken en dalen nìet goed functioneerde. Maar het kan ook zijn dat het uitblijven van een arbeidscontract – waar ik bij die krant overigens nooit naar gesolliciteerd heb –   het geheim is achter een al zestien jaar durende opdrachtgever-opdrachtnemersrelatie.

Ik ben, wil ik maar zeggen, niet zo goed in het werknemersschap. Hoewel, ik ging eigenlijk iets heel anders vertellen. Dat ik bij de Nederlandse posterijen ben gaan werken omdat mijn inkomsten uit freelance arbeid te onvoorspelbaar en, vooral, te laag waren. En dat in de periode dat de ‘semi-diagnose’ ADD werd gesteld (de echte diagnose volgt, ‘als  het goed is’, volgende week). En dus opeens ‘was gebleken’ dat ‘pech’, ‘economisch slecht tij’ of ‘privé-omstandigheden’ waarschijnlijk niet de enige oorzaken zijn van de structurele onvoorspelbaarheid van mijn werk- en inkomstenpeil. De twee jaar voor mijn gang naar de psycholoog had ik het financieel juist, voor mijn doen, rustig gehad, eerst vanwege mijn baan bij Dona Daria, daarna wegens de uitkering van een letselschadeverzekering in verband met het ongeluk na mijn Argentijnse avontuur. In diezelfde periode ging ik mediteren, wat me ook op andere vlakken (relatief, alles is relatief) veel rust gaf. De rust gaf me de ruimte die ik lang ontbeerd had, om te bedenken wat ik ook alweer wilde met mijn leven. En dus dacht ik, toen eind vorig jaar het einde van  mijn spaartegoeden dreigde, dat ik er in ieder geval nóóit meer krap bij kas wilde zitten en daar dus, met artikelen over onderwerpen die mij écht interesseren gewoon, ruim op tijd en met gemak, een redelijk inkomen ging verdienen.

Nou, niet dus. Sterker: over de eerste opdracht in de herboren periode, deed ik zes weken in plaats van de enkele dagen die ervoor stonden. En hield ik dus, omgerekend, veel minder over dan het minimumloon dat ik postbestellend verdien. En als dat nu een opdracht was die ik inhoudelijk niet bijster interessant vond…..Nee. Het was een opdracht die ik helemaal zelf, volledig uit eigen interesse en op eigen initiatief met niet weinig moeite, aan de man gebracht had mij Trouw. Waar ik al heel lang ooit hoopte ‘binnen te komen.’

Wat AD(H)D precies is, weet niemand. Het enige dat vaststaat, is dat het te maken heeft met een stofje in de hersenen dat ervoor zorgt dat iemand afwijkend – soms langzamer, soms juist veel sneller (en geïrriteerder… ) – op prikkels reageert dan ‘normale’ mensen. Dreigende kastekorten alleen brengen mij niet, of pas héééééél laat, op de been. Spanningen thuis als gevolg daarvan, evenmin. Tegelijk kunnen spanningen, bijvoorbeeld uit faalangst waar ik iets héél graag wil of omdat een Baas iets van me wil waar ik het niet mee eens ben, me juist afremmen. Bijvoorbeeld om een artikel voor de deadline af te krijgen.

Mijn postbaan heeft me financieel weinig verder gebracht. Het kostte me namelijk erg veel moeite om die baan, een paar uurtjes per week maar, maar toch, te combineren met freelance schrijven. Een aantal deadline-loze opdrachten, met een gemiddelde waarde van een maandsalaris bij de post, ligt al maanden stil. Wel bracht het me een betere fysieke conditie en afstand. Afstand die nodig was om bewuster te kiezen voor wat  ik wèl en juist niet doe. En  om het vertrouwen (her-) op te bouwen dat ik nodig had om me met huid en haar in een volgend project te storten, dit keer vastberaden om dat te volbrengen.

Opdrachten naar aanleiding van deze blog zijn van harte welkom.